ECLI:NL:RBOBR:2025:4572
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs verkrachting en mishandeling ex-echtgenote
Verdachte werd beschuldigd van het dwingen van zijn toenmalige echtgenote tot seksuele handelingen en subsidiair van mishandeling op 16 juli 2022 te Valkenswaard. De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van het slachtoffer en getuigen die bevestigden dat verdachte had geslagen. Daarnaast werd verwezen naar een stopgesprek uit 2018 waarin verdachte beloofde geen dwang meer uit te oefenen.
De verdediging voerde aan dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte, aangezien alle belastende verklaringen van één bron afkomstig waren en er sprake was van een problematische relatie tussen verdachte en slachtoffer, inclusief een lopende echtscheidingsprocedure en vermoedens over de relatie van het slachtoffer met een getuige.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer summier waren en onvoldoende verduidelijking bevatten. De getuigenverklaringen konden niet als steunbewijs dienen omdat het slachtoffer niet verklaarde te zijn geslagen op de datum van het ten laste gelegde feit. Het stopgesprek uit 2018 was te ver verwijderd in tijd om als steunbewijs te gelden.
Daarom concludeerde de rechtbank dat het bewijs onvoldoende was om tot een veroordeling te komen en sprak verdachte vrij van zowel de verkrachting als de mishandeling. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en de proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van verkrachting en mishandeling wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.