In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de legesheffing door de heffingsambtenaar van de gemeente Bladel voor een omgevingsvergunning betreffende de legalisatie van een dierenverblijf met overkappingen. De rechtbank bouwt voort op een eerdere tussenuitspraak waarin procedurele gebreken werden vastgesteld, waaronder het niet indienen van alle relevante stukken en onvoldoende motivering.
De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar de geconstateerde gebreken niet heeft hersteld, waardoor niet kan worden vastgesteld of sprake is van een nieuwe aanvraag in 2022 of een voortzetting van de aanvraag uit 2018. Dit leidt tot de conclusie dat de legesheffing voor de activiteit ‘buitenplanse afwijking’ niet in stand kan blijven. Voor de activiteit ‘Bouwen’ is de legesheffing wel terecht, maar de verkeerde tarieven uit de Legesverordening 2022 zijn toegepast in plaats van die uit 2018.
De rechtbank past daarom de tarieven uit de Legesverordening 2018 toe, wat resulteert in een verlaging van de leges tot €1.788. Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens te late besluitvorming af, maar kent zij een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat €800 en de heffingsambtenaar €200 moet betalen. Ook moet het betaalde griffierecht worden vergoed.