De kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant behandelde op 14 mei 2025 een verzoek tot onderbewindstelling van betrokkene, die vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen. Verzoeker, een van de kinderen van betrokkene, vordert de benoeming van een professionele bewindvoerder omdat hij meent onvoldoende op de hoogte te worden gehouden door zijn zus en broer, die gezamenlijk als gevolmachtigden optreden.
Tijdens de zitting verschenen verzoeker, zijn zus, broer en de voorgestelde bewindvoerder. De kantonrechter constateerde dat de verhouding tussen de kinderen gespannen is en stelde overleg voor om de situatie te bespreken. Verzoeker erkende de intentie van zijn broer en zus om de belangen van betrokkene goed te regelen, maar betwijfelde hun deskundigheid.
De broer en zus wilden de huidige situatie voortzetten, omdat dit volgens hen in het belang van betrokkene is en aansluit bij zijn wensen. De kantonrechter oordeelde dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de belangen van betrokkene worden geschaad en dat het verzoek om onderbewindstelling daarom wordt afgewezen. De wens van betrokkene om uitvoering te geven aan zijn levenstestament werd als leidend beschouwd.