Op 24 januari 2025 werd verdachte aangehouden op de A67 bij de grens van België en Nederland met ongeveer 3 kilo cocaïne verborgen in een professioneel aangebrachte ruimte in zijn auto. Verdachte verklaarde dat hij de drugs na het passeren van de grens in Nederland had ontvangen en alleen binnen Nederland vervoerde. De rechtbank achtte dit scenario voor wat betreft invoer van cocaïne niet bewezen, maar wel de verlengde uitvoer.
De verdediging verzocht om bewijsuitsluiting van de doorzoeking van de auto, omdat de toestemming daartoe volgens haar onduidelijk was. De rechtbank oordeelde echter dat verdachte ondubbelzinnig toestemming had gegeven, mede gelet op zijn Duitse taalgebruik en het gedrag ter plaatse.
De rechtbank concludeerde dat verdachte willens en wetens de cocaïne vervoerde en dat er sprake was van voorwaardelijk opzet op de (verlengde) uitvoer. Verdachte werd vrijgesproken van invoer, maar veroordeeld voor uitvoer en vervoer. De straf werd vastgesteld op 30 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd verbeurdverklaring van een mobiele telefoon en onttrekking aan het verkeer van de auto uitgesproken.