De rechtbank Oost-Brabant heeft op 30 januari 2025 uitspraak gedaan over een verzoek tot tussentijdse toetsing van een ISD-maatregel opgelegd aan de veroordeelde op 27 november 2023 voor de duur van twee jaren. De veroordeelde verzocht op 26 november 2024 om tussentijdse toetsing, stellende dat de maatregel op 20 maart 2024 was aangevangen en hij daarom ontvankelijk was.
De officier van justitie stelde dat de maatregel feitelijk pas op 15 oktober 2024 was aangevangen, omdat de veroordeelde eerst nog meerdere vrijheidsbenemende straffen moest uitzitten. De rechtbank oordeelde dat de aanvangsdatum van de ISD-maatregel inderdaad op 15 oktober 2024 ligt, omdat de maatregel pas kon starten nadat alle eerdere straffen waren uitgezeten.
Omdat het verzoek om tussentijdse toetsing minder dan zes maanden na deze aanvangsdatum was ingediend, verklaarde de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk. De rechtbank merkte op dat bij een inhoudelijke beoordeling geen reden zou zijn tot beëindiging van de maatregel, mede vanwege de ziekte van de veroordeelde en het ontbreken van medische informatie over het verloop daarvan.
De rechtbank besloot het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en de ISD-maatregel voort te zetten.