Eiseres kreeg op 30 november 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd vanwege het parkeren zonder geldig parkeerbewijs op 11 november 2024. Na bezwaar handhaafde de heffingsambtenaar de aanslag op 31 december 2024. Eiseres stelde vervolgens beroep in, maar dit werd pas op 5 maart 2025 ontvangen, ruim na de wettelijke termijn van zes weken die eindigde op 11 februari 2025.
De rechtbank oordeelt dat de te late indiening niet gerechtvaardigd is. Hoewel eiseres verklaarde gedetineerd te zijn geweest en daardoor moeilijk te kunnen communiceren, is niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk was om tijdig beroep in te stellen of dit door een ander te laten doen. Ook is geen bewijs geleverd van een toezegging van uitstel door de rechtbank of een bevoegde functionaris.
De rechtbank wijst erop dat wettelijke termijnen strikt zijn en niet kunnen worden verlengd door toezeggingen van griffiemedewerkers. Gezien het ontbreken van een geldige reden verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, waardoor de naheffingsaanslag in stand blijft. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.