Aan verdachte werd ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan ontuchtige handelingen met twee minderjarige meisjes van 13 jaar. Verdachte erkende de seksuele handelingen met het eerste meisje, maar stelde dat hij niet op de hoogte was van haar werkelijke leeftijd en dat de handelingen vrijwillig waren.
De rechtbank oordeelde dat de handelingen met het eerste meisje niet als ontuchtig konden worden aangemerkt omdat zij niet in strijd waren met de sociaal-ethische norm. Er was sprake van een natuurlijke opbouw van contact en een zekere gelijkwaardigheid tussen verdachte en het meisje, ondanks het leeftijdsverschil. De verklaringen van getuigen ondersteunden het standpunt dat de handelingen vrijwillig waren.
Ten aanzien van het tweede feit was er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om verdachte te veroordelen. De verklaringen van het slachtoffer werden niet voldoende ondersteund door ander bewijs, waardoor verdachte ook van dit feit werd vrijgesproken.
De vorderingen tot schadevergoeding van beide benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank veroordeelde de benadeelden in de proceskosten.