Uitspraak
datum : 6 augustus 2025
Rechtbank Oost-Brabant
Betrokkene verzocht om opheffing van het bewind omdat hij zijn schulden had opgelost en zijn financiële zaken zelf wilde regelen met ondersteuning van zijn zoon. De bewindvoerder was niet op de hoogte van dit verzoek en gaf aan dat er geen afbouwperiode heeft plaatsgevonden. Zij kon geen bevestiging geven dat betrokkene voldoende in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen.
De kantonrechter overwoog dat het verzoek te vroeg kwam. Hoewel betrokkene aangaf zijn geldzaken zelf te kunnen regelen, waren er onvoldoende feiten om dit te onderbouwen. Betrokkene had onvoldoende inzicht in zijn maandbudget en had geen zelfstandigheidstraject doorlopen, wat noodzakelijk wordt geacht om financiële zelfredzaamheid te waarborgen.
De kantonrechter besloot het verzoek af te wijzen en gaf aan dat betrokkene een zelfstandigheidstraject zal starten met de bewindvoerder en zijn zoon. Na een succesvol traject kan een nieuw verzoek tot opheffing worden ingediend. De beschikking werd op 6 augustus 2025 uitgesproken door de kantonrechter.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen wegens onvoldoende financieel inzicht en het ontbreken van een zelfstandigheidstraject.