ECLI:NL:RBOBR:2025:5318

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 augustus 2025
Publicatiedatum
22 augustus 2025
Zaaknummer
25/1887
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.28 APV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens ontbreken exploitatievergunning

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom die de burgemeester van Eindhoven aan verzoeker 1 heeft opgelegd omdat hij een openbare inrichting exploiteert zonder de vereiste exploitatievergunning. De burgemeester had verzoeker 1 een dwangsom opgelegd om de overtreding te beëindigen en de inrichting gesloten te houden voor het publiek.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 augustus 2025 behandeld en geoordeeld dat het spoedeisende belang ontbreekt. De dwangsom was al volledig verbeurd omdat de exploitatie was voortgezet, waardoor het spoedeisend karakter deels was weggevallen. Daarnaast ontbrak bewijs dat verzoekers financieel onomkeerbaar zouden worden getroffen door de invordering van de dwangsom.

De voorzieningenrechter achtte het niet evident dat de last onrechtmatig is en wees erop dat de bezwaarprocedure spoedig wordt behandeld. Daarom is het verzoek afgewezen en is er geen aanleiding voor een voorlopige voorziening of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1887

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2025 in de zaak tussen

[verzoeker 1] , uit [woonplaats] , verzoeker 1

en
[verzoeker 2], verzoeker 2, hierna ook: verzoekers.
(gemachtigde: mr. A. Kara),
en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven

(gemachtigden: mr. M.L.M. Lammerschop en mr. E.I. Jansen).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 25 juli 2025 heeft de burgemeester aan verzoeker 1 een last onder dwangsom opgelegd, omdat hij volgens de burgemeester een openbare inrichting exploiteert zonder de daarvoor vereiste vergunning
.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker 1, de gemachtigde, [naam 1] en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waar gaat het geschil over?
3. De burgemeester heeft op 13 juni 2018 aan verzoeker 2 een exploitatievergunning verleend voor zijn openbare inrichting ( [naam 2] aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Op 27 augustus 2024 is verzoeker als leidinggevende aan die exploitatievergunning toegevoegd.
4. Op 23 juni 2025 heeft verzoeker 1 een exploitatievergunning aangevraagd voor de openbare inrichting aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Hij heeft bij zijn aanvraag onder andere een koopovereenkomst met verzoeker 2 overgelegd. De burgemeester heeft nog niet op verzoekers aanvraag beslist.
5. Met het bestreden besluit heeft de burgemeester aan verzoeker 1 een last onder dwangsom opgelegd, omdat hij de openbare inrichting exploiteerde zonder de daarvoor vereiste exploitatievergunning. De last houdt in dat verzoeker 1 deze overtreding van artikel 2.28 van de Algemene plaatselijke verordening (APV) moet beëindigen en beëindigd moet houden door de openbare inrichting voor het publiek gesloten te houden. Bij iedere overtreding van die last verbeurt verzoeker een dwangsom van € 2.500,- met een maximum van € 5.000,-. Verzoeker 1 mag nog wel etenswaren en (non-alcoholische) dranken bezorgen.
Spoedeisend belang?
6. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om de last te schorsen voor de duur van de bezwaarprocedure, subsidiair om zodanige voorzieningen te treffen dat de last voor hen minder bezwarend is. Het spoedeisende karakter van het verzoek ligt er volgens verzoekers in dat het voldoen aan de last gevolgen heeft waarvan verzoekers van oordeel zijn dat zij onterecht en niet nodig zijn en waardoor zij onevenredig zwaar zullen worden geraakt.
7. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de dwangsom inmiddels is volgelopen, omdat niet aan de last is voldaan doordat de exploitatie van de onderneming is voortgezet. Daarmee is het door verzoekers gestelde spoedeisende karakter al voor een deel tenietgedaan. Er zou nog wel sprake kunnen zijn van enig spoedeisend belang omdat het bezwaar zich ook kan richten tegen de invordering van dwangsom. De voorzieningenrechter heeft evenwel geen bewijs van de inkomenspositie van verzoekers gezien waaruit blijkt dat verzoekers op dit punt in een onomkeerbare situatie terecht zullen komen doordat zij niet in staat zijn om € 5.000,- te betalen. Bovendien moet de burgemeester nog over de invordering van de dwangsom beslissen. Hierin kan dan ook geen aanleiding worden gevonden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekers, ook voor eventuele nadere herstelsancties, graag duidelijkheid willen en daarom een belang kunnen hebben bij een inhoudelijk oordeel van de voorzieningenrechter, maar de voorzieningenrechter treft alleen een voorziening als verzoekers de uitkomst van hun bezwaar tegen de opgelegde last niet kunnen afwachten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit moment geen sprake is van een zwaarwegend belang aan de zijde van verzoekers op grond waarvan van hen niet kan worden gevergd dit af te wachten. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de behandeling van het bezwaar al op korte termijn plaatsvindt alsmede haar oordeel dat de aan verzoeker 1 opgelegde last niet evident onrechtmatig is. Het is verder aan de burgemeester om in het kader van de integrale heroverweging in te gaan op wat verzoekers tegen het besluit aanvoeren en de vraag of verzoeker 2 wel belanghebbende is bij het besluit. Het verzoek moet daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G.B.M Spapens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025.
de griffier is buiten staat
de uitspraak te ondertekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.