Eiser heeft een executoriaal derdenbeslag gelegd onder Stagetruck wegens een vordering op zijn voormalig werkgever, [A] B.V., die niet aan een eerder vonnis had voldaan. Stagetruck heeft een derdenverklaring afgelegd waarin zij verklaarde dat er geen rechtsverhouding bestond met [A] op het moment van beslaglegging. Eiser betwist deze verklaring en vordert betaling door Stagetruck of een gerechtelijke verklaring.
De kantonrechter onderscheidt de verklaringsprocedure (art. 477a lid 1 Rv) en de betwistingsprocedure (art. 477a lid 2 Rv). Uit bewijs blijkt dat Stagetruck tijdig een derdenverklaring heeft afgelegd, waardoor de primaire vordering wordt afgewezen. Subsidiair moet eiser aantonen dat de verklaring onjuist is, hetgeen hij onvoldoende heeft gedaan.
Stagetruck heeft toegelicht dat [A] haar activiteiten eind 2021 heeft gestaakt en dat er geen vennootschapsrechtelijke banden meer zijn. De kantonrechter acht de stellingen van eiser onvoldoende concreet en onderbouwd om aan te nemen dat er op het moment van beslag een vordering bestond. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.