ECLI:NL:RBOBR:2025:5403

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
SHE 25/1161 OWHAND
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13.1 bestemmingsplanArt. 2:28, eerste lid, Algemene plaatselijke verordening gemeente Bladel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens strijdige bedrijfsactiviteiten

Verzoekster exploiteert een zalencentrum op een locatie met de bestemming 'Horeca' en functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca - restaurant'. Zij verricht bedrijfsactiviteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan en zonder exploitatievergunning. De burgemeester legde op 16 april 2025 een last onder dwangsom op, die op 12 mei 2025 werd gewijzigd met een maximum van €40.000 aan te verbeuren dwangsommen.

Na meerdere controles bleek dat verzoekster de last niet naleefde, waardoor reeds een dwangsom van €8.000 is verbeurd. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om de last te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen spoedeisend belang bestond omdat de dwangsom al was volgelopen en schorsing dus geen effect zou hebben.

De voorzieningenrechter ging niet in op de inhoudelijke bezwaargronden over legalisatiekansen, begunstigingstermijn en dwangsombedrag. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, waardoor het bestreden besluit niet wordt geschorst. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de last onder dwangsom wordt niet geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1161 OWHAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 augustus 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [vestigingsplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. P.A.J. Huijbregts),
en
de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel, verweerder
(gemachtigde: mr. A.H.G. Knops en [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de last onder dwangsom die aan verzoekster is opgelegd vanwege de bedrijfsactiviteiten die zij in strijd met het omgevingsplan verricht en zonder het bezitten van een exploitatievergunning. Verzoekster is het niet eens met de oplegging van deze last. Zij heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dat betekent dat de last onder dwangsom niet wordt geschorst. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 heeft de burgemeester aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Bij besluit van 12 mei 2025 heeft verweerder het besluit van 16 april 2025 gewijzigd.
2.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Verzoekster en verweerder hebben nadere stukken ingediend.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 augustus 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren [naam] en mr. M.A.E. Ceelen, als waarnemer van de gemachtigde, namens verzoekster aanwezig en waren de gemachtigden van verweerder aanwezig.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten en omstandigheden
3. Verzoekster exploiteert een zalencentrum aan [adres] te [vestigingsplaats] (de locatie). Op de locatie geldt het omgevingsplan gemeente Bladel, waarvan het bestemmingsplan “[naam]” deel uitmaakt. Op grond van dat plan rust op de locatie de bestemming “Horeca”, met de functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca - restaurant'. Ter plaatse is daarmee alleen een restaurant toegestaan.
3.1.
Een toezichthouder van de gemeente heeft op 12 juni 2024 en 17 juni 2024 controles uitgevoerd op de locatie. Naar aanleiding daarvan is verzoekster per brief van
30 juli 2024 geïnformeerd over het feit dat haar bedrijfsactiviteiten niet zijn toegestaan op grond van artikel 13.1 van het bestemmingsplan en artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Bladel (APV) en dat zij daarom maatregelen moet treffen om deze situatie ongedaan te maken. Deze te nemen maatregelen bestaan uit het indienen van een verzoek om vooroverleg ten behoeve van een omgevingsplanwijziging en indien er geen sprake meer is van een strijdigheid met de voorschriften uit het omgevingsplan dient er een alcohol- en exploitatievergunning te worden aangevraagd.
3.2.
Op 31 maart 2025 is aan verzoekster een voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom gestuurd. Verzoekster heeft daarop gereageerd met een zienswijze.
3.3.
Met het besluit van 16 april 2025 heeft de burgemeester aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, waarin hij op straffe van een dwangsom van € 8.000,00 per dag heeft gelast dat vanaf 17 april 2025 geen vorm van bedrijvigheid in het pand op de locatie mag plaatsvinden zolang het omgevingsplan niet is gewijzigd en zolang geen alcohol- en exploitatievergunning is verleend.
3.4.
Met het besluit van 12 mei 2025 heeft verweerder de opgelegde last onder dwangsom gewijzigd, in die zin dat aan de last onder dwangsom een maximum van
€ 40.000,00 aan te verbeuren dwangsommen is verbonden.
3.5.
Op basis van op 19 april 2025, 2 mei 2025, 3 mei 2025 en 4 mei 2025 gehouden controles hebben toezichthouders van de gemeente vastgesteld dat niet voldaan is aan de lastgeving, omdat op genoemde momenten bedrijfsactiviteiten op de locatie werden verricht. Naar aanleiding hiervan, is aan verzoekster op 12 mei 2025 een voornemen tot invordering van € 32.000,00 aan verbeurde dwangsommen gestuurd. Een invorderingsbesluit is nog niet genomen.
Is sprake van een spoedeisend belang?
4. Verzoekster betoogt dat sprake is van een spoedeisend belang. De begunstigingstermijn is al verstreken, waardoor zij moet kiezen tussen het verbeuren van dwangsommen of het sluiten van haar deuren. Verzoekster merkt daarbij op dat zij zich met name richt op het nichesegment, waardoor klanten weinig uitwijkmogelijkheden hebben, en dat de zomer een populaire periode is om te trouwen. Bovendien kan zij zich de financiële gevolgen van de oplegging van de last onder dwangsom niet zomaar veroorloven, mede vanwege recent gedane investeringen en de nadelige financiële gevolgen van de coronaperiode.
4.1.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De gemachtigde van verweerder heeft tijdens de zitting onweersproken verklaard dat na indiening van het verzoek om voorlopige voorziening en vóórdat uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nog een dwangsom van € 8.000,00 is verbeurd. Dat betekent dat het maximum aan te verbeuren dwangsommen inmiddels is bereikt en dat de dwangsom is ‘volgelopen’. De voorzieningenrechter ziet in die omstandigheid aanleiding om geen voorlopige voorziening te treffen, omdat schorsing van het bestreden besluit voor verzoekster niets (meer) zou opleveren. De dwangsommen zijn immers al verbeurd.
Het tijdens de zitting ingenomen standpunt van verzoekster, dat een spoedeisend belang is gelegen in het feit dat het niet schorsen van het bestreden besluit mogelijk leidt tot het eerder invorderen van reeds verbeurde dwangsommen, leidt niet tot een ander oordeel. Ook als de voorzieningenrechter tot schorsing van het bestreden besluit zou overgaan, staat niet vast dat verweerder niet op korte termijn zou overgaan tot invordering van verbeurde dwangsommen nu hij die bevoegdheid heeft. Voor inning van de verbeurde dwangsommen dient bovendien een invorderingsbesluit te worden genomen, waartegen verzoekster rechtsmiddelen kan instellen. In die procedure kan aan de orde komen of er dwangsommen zijn verbeurd en zo ja, of de verbeurde dwangsommen in redelijkheid kunnen worden ingevorderd.
5. Omdat geen sprake is van een spoedeisend belang, zal de voorzieningenrechter niet ingaan op de (inhoudelijke) bezwaargronden van verzoekster over het concreet zicht op legalisatie, de lengte van de begunstigingstermijn en de hoogte van het dwangsombedrag.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat geen sprake is van een spoedeisend belang. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst, bestaat voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Oosterveer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.