De rechtbank Oost-Brabant heeft op 4 september 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet en gewoontewitwassen. De zaak betrof activiteiten in Nederland, België, Spanje en de Verenigde Arabische Emiraten in de periode van april 2020 tot januari 2023. Verdachte zou betrokken zijn geweest bij het voorbereiden en bevorderen van de handel in harddrugs zoals cocaïne, metamfetamine, amfetamine en mefedron, onder meer via cryptotelefoons en berichtenapplicaties.
Tijdens de procedure is een overeenkomst tussen verdachte en het openbaar ministerie gesloten over proces- en vonnisafspraken. De rechtbank heeft deze overeenkomst getoetst aan de criteria van het recht op een eerlijk proces en vastgesteld dat verdachte vrijwillig en met kennis van zaken heeft ingestemd. Feit 2, betreffende het bezit van vuurwapens, is niet wettig en overtuigend bewezen verklaard, waardoor verdachte daarvan is vrijgesproken.
Feiten onder feit 1 en 3 zijn wel bewezen verklaard. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het plegen van drugshandel en aan gewoontewitwassen, waarbij onder meer grote geldbedragen, luxe horloges en een auto betrokken waren. De rechtbank benadrukte de ernstige maatschappelijke gevolgen van harddrugs en witwassen. De opgelegde straf is een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis, conform de gemaakte afspraken.
Daarnaast is verbeurdverklaring uitgesproken van diverse geldbedragen, horloges en mobiele telefoons die verband houden met de bewezen feiten. De straf en bijkomende maatregelen zijn passend geacht gelet op de ernst van de feiten en de belangen van verdachte en de maatschappij.