De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige en een verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling (GI) die het toezicht uitvoert. De kinderrechter heeft eerder de ondertoezichtstelling verlengd tot 28 juni 2025 en heeft de GI opgedragen haar standpunt schriftelijk kenbaar te maken, vergezeld van een toetsing door de raad voor de kinderbescherming.
De GI had aanvankelijk verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar, maar trok dit verzoek in. De kinderrechter ging voorbij aan deze intrekking en nam het oorspronkelijke verzoek in behandeling. Vervolgens verzocht de GI, in lijn met het advies van de raad, om verlenging voor zes maanden tot 28 november 2025. Zowel de moeder als de vader stemden in met deze verlenging.
De vader verzocht tevens om vervanging van de GI omdat hij vond dat de huidige GI inzet op oudervervreemding. Hoewel de vader niet met het gezag belast is en formeel geen verzoek tot vervanging kon indienen, werd hij ontvankelijk verklaard vanwege zijn recht op family life. De kinderrechter oordeelde dat de samenwerking tussen de GI en de vader slecht was en dat de GI steken had laten vallen, onder meer door onvoldoende opvolging van adviezen en gebrekkige communicatie.
Daarom werd het verzoek van de vader toegewezen en werd de GI vervangen door Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering. De ondertoezichtstelling werd verlengd tot 28 november 2025, en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.