De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag van de ouders over de minderjarige te beëindigen en de Stichting Jeugdbescherming Brabant als voogd te benoemen. De ouders verzetten zich tegen dit verzoek en vroegen om afwijzing en proceskostenvergoeding.
De rechtbank stelde vast dat de minderjarige sinds maart 2022 bij de grootouders in Nederland verblijft, nadat zij door Spaanse autoriteiten uit huis was geplaatst vanwege onveilige omstandigheden bij de ouders die in Spanje wonen. De ouders hadden een volmacht verleend aan de grootouders voor de zorg, maar trokken deze later in. De minderjarige vertoont hechtingsproblematiek en kindertrauma, waarvoor hulpverlening nodig is, maar de vader gaf hiervoor geen toestemming.
De rechtbank oordeelde dat de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kunnen dragen, mede doordat zij onvoldoende medewerking aan de Gecertificeerde Instelling verleenden en geen inzicht verschaften in hun opvoedsituatie. De situatie van de minderjarige is niet vergelijkbaar met het arrest Van Slooten t. Nederland van het EHRM, zodat geen schending van verdragsbepalingen is vastgesteld.
Gelet op de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het ontbreken van adequate ouderlijke zorg, beëindigde de rechtbank het ouderlijk gezag en benoemde de Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogd. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.