ECLI:NL:RBOBR:2025:5745

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
12 september 2025
Zaaknummer
82/267588-23 Strafzaak
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21b MeststoffenwetArt. 6 EVRMArt. 9 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen strafoplegging voor opzettelijke overschrijding fosfaatrechten door landbouwer

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 17 september 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een landbouwer die in de jaren 2020 en 2021 meer dierlijke meststoffen met melkvee heeft geproduceerd dan het op haar bedrijf rustende fosfaatrecht toestond. De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard.

De verdachte had vanaf 2016 het opfokken van jongvee uitbesteed aan een derde partij, waarbij gebruik werd gemaakt van diens fosfaatrechten. In 2020 kon zij deze rechten niet langer gebruiken, waarna zij een andere locatie kocht om het jongvee onder te brengen. Door deze investering en andere financiële verplichtingen ontbraken de middelen om voldoende fosfaatrechten aan te schaffen. Reductie van de veestapel was geen optie vanwege bedreiging van het voortbestaan van het bedrijf.

De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden met een jaar en vier maanden, zonder dat dit aan de verdediging kon worden toegerekend. Gezien de bijzondere omstandigheden en de termijnoverschrijding besloot de rechtbank toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en legde zij geen straf of maatregel op. De verdachte werd wel strafbaar verklaard voor de overtredingen.

Uitkomst: Verdachte is strafbaar verklaard maar krijgt geen straf of maatregel opgelegd vanwege bijzondere omstandigheden en overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.267588.23 [strafzaak]
Datum uitspraak: 17 september 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

gevestigd te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van
4 september 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 februari 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij:
1.
in het kalenderjaar 2020 te Rijsbergen, gemeente Zundert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, als landbouwer op haar bedrijf gelegen aan of nabij de [adres] meer dierlijke meststoffen met melkvee, te weten (ongeveer) 2362,10 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft/hebben geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht;
2.
in het kalenderjaar 2021 te Rijsbergen, gemeente Zundert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, als landbouwer op haar bedrijf gelegen aan of nabij de [adres] , meer dierlijke meststoffen met melkvee, te weten (ongeveer) 1009,40 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft/hebben geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het ten laste gelegde.

De standpunten van de officier van justitie en van de verdediging.
Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Het oordeel van de rechtbank.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor bewezenverklaring worden opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis als tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” zal worden weergegeven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1.
in het kalenderjaar 2020 te Rijsbergen, gemeente Zundert, opzettelijk, als landbouwer op haar bedrijf gelegen aan of nabij de [adres] meer dierlijke meststoffen met melkvee, te weten ongeveer 2362,10 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht;
2.
in het kalenderjaar 2021 te Rijsbergen, gemeente Zundert, opzettelijk, als landbouwer op haar bedrijf gelegen aan of nabij de [adres] , meer dierlijke meststoffen met melkvee, te weten ongeveer 1009,40 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot de betaling van een geldboete van € 5.000,--.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging bepleit verdachte geen straf of maatregel op te leggen of te volstaan met een geheel voorwaardelijke veroordeling.
Het oordeel van de rechtbank.
Verdachte heeft zich in de jaren 2020 en 2021 schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 21b eerste lid van de Meststoffenwet. Deze feiten rechtvaardigen in beginsel oplegging van een straf.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting van 4 september 2025 stelt de rechtbank vast dat verdachte al een [verdachte] voerde op het moment dat het fosfaatrechtenstelsel werd ingevoerd. Om binnen de grenzen van dit stelsel te blijven heeft verdachte vanaf 2016 het opfokken van haar jongvee uitbesteed aan een opfokker, [bedrijf] [hierna: [bedrijf] ]. Daarbij werd gebruik gemaakt van de fosfaatrechten van [bedrijf] .
In 2020 werd verdachte plotseling geconfronteerd met de situatie dat zij niet langer gebruik kon maken van de fosfaatrechten van [bedrijf] . Daarop heeft verdachte de samenwerking met [bedrijf] verbroken en heeft zij een andere locatie aangekocht om haar jongvee onder te brengen. Door deze investering en door andere financiële verplichtingen die verdachte eerder was aangegaan, ontbraken de financiële middelen om voor de jaren 2020 en 2021 die fosfaatrechten aan te schaffen die voor de totale veestapel van verdachte nodig waren. Reductie van de veestapel was eveneens geen optie. Gelet op de financiële consequenties daarvan zou daardoor het voortbestaan van het bedrijf worden bedreigd.
Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte tot 2020 en vanaf 2022 wel voldoende fosfaatrechten had voor het op haar bedrijf aanwezige vee. Verder stelt de rechtbank vast dat uit het uittreksel justitie documentatie van 13 oktober 2023 blijkt dat verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld.
Tenslotte is de rechtbank, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van deze zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 18 mei 2022, de eerste keer dat de directeur van verdachte als verdachte is gehoord. Voorts is geen sprake van feiten en omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de verdediging. Ook is geen sprake van feiten en omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door de rechtbank in deze strafzaak de redelijke termijn met een jaar en vier maanden is overschreden. Met deze termijnoverschrijding zal de rechtbank rekening houden bij de beslissing over de afdoening van deze strafzaak.
De rechtbank is van oordeel dat veranderende regelgeving en wijziging van de omstandigheden binnen de risicosfeer van verdachte als onderneming ligt en dat verdachte steeds dient te handelen naar de geldende regelgeving. Gelet op de omstandigheden echter waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, zal de rechtbank toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank kent in dat verband overwegende betekenis toe aan het feit dat de exploitatie van het bedrijf van verdachte plaatsvond onder lastige omstandigheden waarop verdachte niet altijd invloed had, of kon hebben.
Gelet op wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank het opportuun om verdachte geen straf of maatregel op te leggen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart de onder 1 en onder 2 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
ten aanzien van de onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde feiten telkens:
overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
ten aanzien van de onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde feiten:

Verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

Dit vonnis is gewezen door:
mr. D. ten Boer, voorzitter,
mr. H. Slaar en mr. I. Tillema, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 17 september 2025.