ECLI:NL:RBOBR:2025:5842
Rechtbank Oost-Brabant
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gevorderde ontruiming wegens vermoedelijke geestelijke stoornis huurder
In deze kortgedingprocedure vordert Vastenlanden ontruiming van een pand omdat de huurder, [gedaagde], de huur zou hebben opgezegd en het gehuurde niet heeft verlaten. Vastenlanden stelt dat de huurder ernstige overlast veroorzaakt en dat er een spoedeisend belang is vanwege het woongenot van andere huurders en financiële belangen.
De huurder is niet verschenen en verstek is verleend. De kantonrechter overweegt dat een ontruiming in kort geding een ingrijpende maatregel is die terughoudend moet worden toegepast, mede vanwege het ontbreken van een diepgaand feitenonderzoek in deze procedure.
Uit processtukken en verklaringen blijkt dat de huurder op het moment van huuropzegging vermoedelijk leed aan een geestelijke stoornis en gedwongen is opgenomen in een ggz-instelling. Hierdoor is het aannemelijk dat de huuropzegging mogelijk vernietigbaar is. Bovendien is er geen sprake van onverwijlde spoed, aangezien de huurder geen overlast veroorzaakt en de vader garant staat voor betaling.
De kantonrechter wijst daarom de vordering af en veroordeelt Vastenlanden in de proceskosten van de gedaagde, die nihil zijn vastgesteld.
Uitkomst: De gevorderde ontruiming wordt afgewezen vanwege vermoedelijke geestelijke stoornis huurder en gebrek aan spoedeisend belang.