Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer vordering tot tenuitvoerlegging: 96-288581-20
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De vordering na voorwaardelijke veroordeling.
De formele voorvragen.
Beoordeling van het bewijs.
Inleiding.
[slachtoffer] voerde bij het passeren van de camera een helderrood achterlicht. De rechtbank neemt bij gebrek aan enig bewijs voor het tegendeel aan dat dit achterlicht tot het moment van de botsing, enkele minuten later, met dezelfde helderheid is blijven branden. De rechtbank stelt verder vast dat [slachtoffer] eerder dan de vuilnisauto op de kruising is aangekomen. Deze vaststelling baseert de rechtbank op de verklaringen van de getuigen ter plaatse, met name die van getuige [getuige] , de verstreken tijd tussen het passeren van de camera door [slachtoffer] en door verdachte, de bepaling van de relatieve posities van de vuilnisauto en [slachtoffer] uit de reconstructie gebaseerd op de tachograafdata en de berekende snelheid van de fiets, en de wijze waarop de vuilnisauto en [slachtoffer] met haar fiets bij de kruising stonden opgesteld (de vuilnisauto uiterst rechts en deels naast het wegdek, met [slachtoffer] daar direct rechtsvoor).
Vrijspraak feit 2.
De verklaring van een getuige dat de achterkant van de vuilnisauto bewoog en de conclusie van de politie dat de schommeling die werd veroorzaakt door het aan- en overrijden van een soortgelijke fiets als die van [slachtoffer] , voelbaar was in de bestuurderscabine, is voor de rechtbank onvoldoende om daaruit zonder meer af te leiden dat (1) verdachte die schommeling moet hebben opgemerkt en (2) dat zij daaruit de conclusie moest trekken dat zij een verkeersongeval veroorzaakte. Hierbij is ook van belang dat niet bekend is wat de precieze omstandigheden in de bestuurderscabine waren ten tijde van het ongeval en welke schommelingen door verdachte als normaal en welke als abnormaal werden ervaren.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf.
- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest;
- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren;
- een dadelijk uitvoerbare en ongemaximeerde maatregel tot terbeschikkingstelling met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden;
- een gedragsbeïnvloedende maatregel als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht.
de rechtbank begrijpt, ook uit de nadere toelichting van de psychiater, dat daar ook het zich schuldig maken aan nieuwe verkeersdelicten moet worden begrepen). Daarbij tekent de psychiater aan dat de kans op een herhaling van delicten gelijk aan of lijkend op het nu bewezen verklaarde gezien het specifieke, situatiegebonden karakter daarvan, als laag wordt beoordeeld.
Een poliklinisch behandeltraject (niet zozeer gericht op gedragsverandering maar wel op ondersteuning en wellicht traumabehandeling, dit ter beoordeling aan de behandelaren), het strikt nakomen van de afspraken met de reclassering en een algeheel middelenverbod (en controle daarop) worden als belangrijkste voorwaarden gezien. Het is de vraag of het verdachte gaat lukken zich langdurend te conformeren aan de opgelegde voorwaarden.
Indien er juridisch te weinig grondslag is om een maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen, zouden voornoemde voorwaarden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel opgelegd kunnen worden. Ook hierbij is het echter de vraag in hoeverre het verdachte gaat lukken zich hier langdurig aan te conformeren, kijkend naar de ervaringen in het verleden. De reclassering heeft de voorkeur voor een tbs-maatregel met voorwaarden om te voorkomen dat verdachte, bij overtreding van een of meerdere voorwaarden, na het uitzitten van een voorwaardelijk strafdeel, zonder toezicht en voorwaarden weer buiten komt.