Verzoekster, een dakdekkersbedrijf, kreeg van de minister een bevel tot preventieve stillegging van werkzaamheden voor de duur van één maand wegens een geconstateerde overtreding van veiligheidsvoorschriften. Dit bevel was gebaseerd op een eerdere waarschuwing die volgens de minister aanleiding gaf tot het opleggen van een zwaardere maatregel.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de minister niet bevoegd was het bevel op te leggen omdat de waarschuwing, die een noodzakelijke voorwaarde is voor het opleggen van een bevel tot stillegging, op het moment van het besluit was vervallen. De waarschuwing was vijf jaar eerder gegeven en volgens artikel 28a, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet vervalt een waarschuwing na vijf jaar.
Gezien deze onduidelijkheid over de rechtmatigheid van het besluit en de belangenafweging waarbij het belang van verzoekster zwaarder woog, werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Het bevel tot stillegging werd geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.