ECLI:NL:RBOBR:2025:5895
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag van instantie wegens niet tijdig betaling griffierecht na verwijzing
De zaak betreft een civiele procedure tussen eiser en de Staat der Nederlanden, meer specifiek het Ministerie van Financiën. Na verwijzing van de zaak door de kantonrechter op grond van artikel 71 Rv Pro, werd eiser verplicht een advocaat te stellen en een verhoogd griffierecht te betalen. Eiser heeft aan deze verplichtingen niet voldaan.
De rechtbank heeft eiser meerdere malen schriftelijk verzocht om alsnog een advocaat te stellen en het griffierecht te voldoen, met een uiterste termijn. Ondanks deze aanmaningen heeft eiser geen advocaat gesteld en het griffierecht niet betaald.
Op verzoek van de Staat heeft de rechtbank vervolgens ontslag van instantie verleend aan de Staat, conform artikel 127a lid 2 Rv, en eiser veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank benadrukt dat artikel 123 lid 2 Rv Pro niet van toepassing is na verwijzing op grond van artikel 71 Rv Pro, maar dat artikel 127a lid 2 Rv wel geldt voor het niet tijdig betalen van griffierecht.
De kosten van de Staat worden vastgesteld op € 3.173,00, inclusief griffierecht en nakosten, welke door eiser binnen veertien dagen moeten worden voldaan. Het vonnis is gewezen door rechter E.J.C. Adang en op 24 september 2025 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verleent ontslag van instantie aan de Staat wegens niet tijdige betaling van het griffierecht door eiser en veroordeelt eiser in de proceskosten.