ECLI:NL:RBOBR:2025:5895

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
23 september 2025
Zaaknummer
C/01/414520 / HA ZA 25-256
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 71 RvArt. 123 RvArt. 127a RvArt. 8 WGBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens niet tijdig betaling griffierecht na verwijzing

De zaak betreft een civiele procedure tussen eiser en de Staat der Nederlanden, meer specifiek het Ministerie van Financiën. Na verwijzing van de zaak door de kantonrechter op grond van artikel 71 Rv Pro, werd eiser verplicht een advocaat te stellen en een verhoogd griffierecht te betalen. Eiser heeft aan deze verplichtingen niet voldaan.

De rechtbank heeft eiser meerdere malen schriftelijk verzocht om alsnog een advocaat te stellen en het griffierecht te voldoen, met een uiterste termijn. Ondanks deze aanmaningen heeft eiser geen advocaat gesteld en het griffierecht niet betaald.

Op verzoek van de Staat heeft de rechtbank vervolgens ontslag van instantie verleend aan de Staat, conform artikel 127a lid 2 Rv, en eiser veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank benadrukt dat artikel 123 lid 2 Rv Pro niet van toepassing is na verwijzing op grond van artikel 71 Rv Pro, maar dat artikel 127a lid 2 Rv wel geldt voor het niet tijdig betalen van griffierecht.

De kosten van de Staat worden vastgesteld op € 3.173,00, inclusief griffierecht en nakosten, welke door eiser binnen veertien dagen moeten worden voldaan. Het vonnis is gewezen door rechter E.J.C. Adang en op 24 september 2025 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verleent ontslag van instantie aan de Staat wegens niet tijdige betaling van het griffierecht door eiser en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/414520 / HA ZA 25-256
Vonnis van 24 september 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN, meer speciaal HET MINISTERIE VAN FINANCIËN, nog meer speciaal DE ONTVANGER DER RIJKSBELASTINGEN,
te ’s-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. C. Rijckenberg.

1.De procedure

1.1.
Bij incidenteel vonnis van 10 april 2025, heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, en is bepaald dat de door elk van partijen te stellen advocaat zich op de schriftelijke rol van 4 juni 2025 moet uitlaten over de wijze waarop men wil voortprocederen. Daarnaast is in dit vonnis bepaald dat [eiser] na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is van € 1.126,00
(€ 1.374,00 - € 248,00) en dat dit bedrag van € 1.126,00 binnen 4 weken na de roldatum van 4 juni 2025 moet zijn bijgeschreven op de rekening van deze rechtbank dan wel ter griffie moet zijn gestort.
1.2.
De Staat heeft op 4 juni 2025 advocaat gesteld. [eiser] heeft noch op de eerste roldatum van 4 juni 2025 noch twee weken later op 18 juni 2025 advocaat gesteld.
1.3.
De rechtbank heeft op 20 juni 2025 een brief aan [eiser] gestuurd met de mededeling 1. dat hij een advocaat moet stellen en 2. dat hij het verschuldigde griffierecht moet betalen. Daarbij is vermeld dat als [eiser] vóór 2 juli 2025 daaraan niet voldoet, er een ontslag van instantie van de Staat volgt.
1.4.
Ook nadat [eiser] nog een laatste termijn is gegeven op 9 juli 2025, heeft hij geen advocaat gesteld en niet het verschuldigde griffierecht betaald.
1.5.
Op de rol van 23 juli 2025 heeft de Staat verzocht om haar ontslag van instantie te verlenen.
1.6.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Voor de beoordeling over de verlening van ontslag van instantie wordt het volgende tot uitgangspunt genomen.
Over de advocaatstelling:
2.2.
In lid 1 van artikel 123 Rv Pro staat vermeld dat indien de eiser ten onrechte geen advocaat heeft gesteld, de rechter hem de gelegenheid biedt binnen een door hem te bepalen termijn alsnog advocaat te stellen. Vervolgens is in lid 2 van artikel 123 Rv Pro bepaald dat de gedaagde van de instantie wordt ontslagen, met veroordeling van de eiser in de kosten, indien de eiser van de hem ingevolge het eerste lid geboden gelegenheid geen gebruik maakt. De wetgever heeft aangegeven dat de leden 1 en 2 van artikel 123 lid Pro Rv niet van toepassing zijn na verwijzing op grond van artikel 71 Rv Pro, zodat eiser in dat geval geen advocaat hoeft te stellen (hij is namelijk al verschenen bij de kantonrechter) en ook geen ontslag van instantie verleend kan worden (Parl. Gesch. Nieuw Rv, Van Mierlo/Bart,
p. 230).
Over de betaling van griffierecht:
2.3.
In artikel 8 lid 1 WGBZ Pro is vermeld dat het griffierecht van de eiser wordt verhoogd indien een zaak die in behandeling is bij een kamer voor kantonzaken wordt verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken. Ingevolge lid 2 van artikel 8 WGBZ Pro is eiser deze verhoging van het griffierecht verschuldigd vanaf de dag waarop de zaak ter rolle dient bij de rechter naar wie de zaak is verwezen en moet hij ervoor zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort. Lid 2 van artikel 127a Rv luidt als volgt: Indien de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie, met veroordeling van de eiser in de kosten. Voordat de rechter hiertoe overgaat, stelt hij eiser in de gelegenheid zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.
2.4.
Uit het voorgaande volgt – samengevat – dat aan de gedaagde ontslag van instantie wordt verleend indien de eiser geen advocaat stelt (artikel 123 lid 2 Rv Pro) en/of indien de eiser niet tijdig het griffierecht betaalt (127a lid 2 Rv). Uit de parlementaire geschiedenis volgt wel dat artikel 123 lid 2 Rv Pro niet van toepassing is in het geval van een op grond van artikel 71 Rv Pro verwezen zaak, maar dat betekent niet dat artikel 127a lid 2 Rv in dat geval niet van toepassing zou zijn. [eiser] heeft het in het tussenvonnis vermelde bedrag aan aanvullend griffierecht niet binnen 4 weken na 4 juni 2025 betaald, ondanks dat de rechtbank hem daartoe op 20 juni 2025 nog heeft aangeschreven. De griffier heeft geconstateerd dat [eiser] het (aanvullend) griffierecht niet (tijdig) heeft betaald, ook niet nadat [eiser] nog een termijn is gegeven tot 9 juli 2025. Dit leidt tot ontslag van instantie, met veroordeling van [eiser] in de kosten.
2.5.
De kosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.173,00

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
ontslaat de Staat van de instantie,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.173,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025.