Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het legaliseren van vijf appartementen in twee panden te Eindhoven. Het college wees deze aanvraag af op grond van het bestemmingsplan dat het splitsen van een woning in meerdere zelfstandige woningen verbiedt. Eiser stelde dat de panden feitelijk al voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan gesplitst waren en dat het splitsingsverbod daarom niet op hem van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat het begrip 'woning' in het bestemmingsplan moet worden uitgelegd als de vergunde situatie ten tijde van de aanvraag en niet de feitelijke situatie. Omdat voor de splitsing geen omgevingsvergunning was verleend en de splitsing afwijkt van de eerder verleende vergunning, kon het college het splitsingsverbod terecht aan eiser tegenwerpen. Het betoog van eiser dat de splitsing al voor het bestemmingsplan bestond, faalde omdat de feitelijke splitsing niet doorslaggevend is.
Eiser voerde ook aan dat het college een interne gedragslijn hanteert die bij legaliseringsaanvragen van lang bestaande appartementen zou moeten worden toegepast. De rechtbank stelde vast dat deze gedragslijn slechts gold in een overgangsperiode tot 1 januari 2022 en niet op de aanvraag van eiser van toepassing is. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet, omdat de situatie van eiser niet vergelijkbaar was met een eerder gelegaliseerd pand.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het college. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.