Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Bewijs
De bewijsmiddelen.
de rechtbank begrijpt: verdachte] vroeg aan mij of ik een foto wilde maken van mijn spaarrekening. Hoeveel ik erop had staan. Op dat moment had ik € 22.000,- euro op de spaarrekening staan. Ik verstuurde de foto naar [verdachte] . Ik las dat [verdachte] stuurde dat ik veel op mijn rekening had staan. Dat ik wel wat geld aan hem kon geven. Toen ik dat las gaf ik duidelijk aan dat ik geen geld aan hem wilde geven. Hij zei tegen mij dat ik € 1.000.- euro contant moest geven. Hij zei toen dat we zouden afspreken in Bergen (Limburg), in een afgelegen bos. Dit was een bos waar niemand kwam. Ik weet nog dat deze afspraak in de middag was, maar de exacte locatie weet ik op dit moment niet meer.
De bewijsoverwegingen.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en maatregel.
- een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
- een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht, voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor haar woonplaats, Oirschot.