In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een bedrag wegens onrechtmatige onttrekking van spaargeld dat hij als minderjarige toevertrouwde aan gedaagde, zijn ouder. Na meerderjarigheid bleek het spaardeposito tot nihil verminderd te zijn. Gedaagde vordert in een incident toestemming om een derde, voormalig echtgenoot, in vrijwaring op te roepen wegens vermeend onrechtmatig handelen waardoor zij onder druk het geld aan hem zou hebben gegeven.
Eiser voert verweer tegen deze vrijwaringsvordering, stellende dat de rechtsverhouding tussen gedaagde en de derde onduidelijk is en dat het oproepen van de derde de procedure onnodig vertraagt en kosten verhoogt. De rechtbank oordeelt dat de stellingen van gedaagde voldoende grond bieden voor de vrijwaringsvordering, omdat het mogelijk is dat de derde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.
Hoewel nog geen bewijs is geleverd, is dat in dit stadium niet relevant en zal dat in een afzonderlijke vrijwaringsprocedure moeten worden aangetoond. De rechtbank compenseert de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak wordt op 26 november 2025 hervat voor conclusie van antwoord.