Verzoekers zijn huurders van een woning waar op 7 juni 2025 bij een politieonderzoek 11,6 kg procaïne werd aangetroffen in de schuur. De burgemeester besloot de woning voor vier maanden te sluiten wegens voorbereidingshandelingen voor een Opiumwetdelict. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen de rechtbank om een voorlopige voorziening om de sluiting te schorsen.
De voorzieningenrechter beoordeelde dat de enkele aanwezigheid van procaïne onvoldoende is om te spreken van een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in de Opiumwet. Verzoekers ontkenden kennis van de aanwezigheid van de drugs en presenteerden een aannemelijk alternatief scenario waarbij de dochter van verzoeker de procaïne mogelijk heeft achtergelaten.
De burgemeester stelde dat de hoeveelheid procaïne duidt op een voorbereidingshandeling en dat hij bevoegd was tot sluiting. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het bezwaar van verzoekers redelijke kans van slagen heeft en dat de burgemeester niet bevoegd was de woning te sluiten. De voorlopige voorziening werd daarom toegewezen, met schorsing van het besluit en vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers.