ECLI:NL:RBOBR:2025:675
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen tot voeging en gedwongen deelneming in civiele procedure
In deze civiele procedure tussen eiser en gedaagde vordert gedaagde de toevoeging van een derde partij, A B.V., op grond van artikel 217 Rv Pro of gedwongen deelneming op grond van artikel 118 Rv Pro. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot voeging faalt omdat artikel 217 Rv Pro slechts ziet op situaties waarin een partij zelf voeging vordert, niet op het vorderen van voeging van een andere partij.
De vordering tot gedwongen deelneming op grond van artikel 118 Rv Pro wordt eveneens afgewezen. De rechtbank stelt dat hiervoor een expliciete wettelijke grondslag vereist is of een processueel ondeelbare rechtsverhouding, welke in deze zaak niet aannemelijk is gemaakt. Gedaagde heeft onvoldoende gesteld om te rechtvaardigen dat A B.V. als partij in de procedure moet worden betrokken.
Daarnaast wordt gewezen op het feit dat gedaagde zonder toestemming van de rechtbank een tegenvordering kan instellen bij conclusie van antwoord. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten van eiser en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De beslissing in de hoofdzaak wordt aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot voeging en gedwongen deelneming af en veroordeelt gedaagde in de proceskosten.