Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig had beslist op zijn bezwaar tegen een WIA-uitkeringsbesluit. De rechtbank constateert dat het UWV op 5 november 2024 alsnog een besluit heeft genomen, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage werd verhoogd van 49,13% naar 53,95% en een dwangsom werd toegekend wegens overschrijding van de beslistermijn.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, omdat het procesbelang is komen te vervallen. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt inhoudelijk beoordeeld. Eiser betwist de medische en arbeidsdeskundige beoordeling waarop het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage baseert, maar slaagt er niet in dit voldoende te onderbouwen.
De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige B&B hebben de beperkingen en geschikte functies gemotiveerd vastgesteld. De rechtbank volgt het UWV in de beoordeling en oordeelt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht is vastgesteld op 53,95%. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.
Vanwege de overschrijding van de beslistermijn krijgt eiser een vergoeding voor proceskosten en het griffierecht. De rechtbank wijst het UWV aan om deze kosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter M. Cune op 24 oktober 2025.