Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder het verzoek van eiseres om compensatie terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Eiseres voert aan dat haar verzoek ten onrechte is afgewezen, omdat zij wel materiële schade heeft ondervonden. Ze was ondernemer en kon zich tijdelijk minder inzetten voor haar onderneming. Zij wijst er in dat kader ook op dat door de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) wordt onderkend dat het aannemelijk is dat ouders die te maken krijgen met vooringenomenheid – zoals bij haar het geval is – schade hebben doordat zij tijd moeten besteden aan administratieve zaken, zoals de tijd die nodig is om gevraagde stukken te verzamelen. Eiseres heeft 294 pagina’s aan informatie moeten verzamelen, dat heeft tijd gekost en daardoor is zij omzet misgelopen. Zij voert verder aan dat er ook sprake is geweest van immateriële schade, want de brede uitvraag heeft haar veel stress en zorg opgeleverd. Ze was bang dat ze de Kinderopvangtoeslag moest terugbetalen. Voor zover zij haar psychisch leed onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken, is het in strijd met het beginsel van ruimhartigheid om haar dat nu tien jaar later nog tegen te werpen. Zij heeft tussen juli en november 2015 in onzekerheid verkeerd en dat zou, mede gelet op het schadekader van CWS moeten leiden tot een immateriële schadevergoeding van € 500,-.
5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht kent de Dienst Toeslagen compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen.
7. Anders dan door verweerder ter zitting is betoogd, is er niet slechts sprake van schade als bedoeld in voornoemd artikel wanneer er sprake is geweest van een bijstelling van de kinderopvangtoeslag naar beneden. Zoals blijkt uit de wettekst, gaat het erom dat er schade is als gevolg van de
uitvoeringvan de kinderopvangtoeslag. Onderdeel van die uitvoering kan ook zijn het doen van een brede uitvraag. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de Memorie van Toelichting. Daarin staat dat een voorwaarde voor toekenning van compensatie is dat de gedupeerde aanvrager schade heeft geleden als gevolg van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Als de vooringenomenheid heeft geleid tot terugvordering of stopzetting, dan wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade. Daar kan dus ook in andere gevallen sprake van zijn, maar dat wordt dan niet direct aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank moet de wettekst, gelezen in samenhang met de Memorie van Toelichting, zo worden uitgelegd dat schade als bedoeld in het voornoemde artikel niet beperkt is tot gevallen waarin sprake was van een bijstelling van de kinderopvangtoeslag naar beneden. Aldus wordt verweerder niet gevolgd in zijn betoog ter zitting dat eiseres geen gedupeerde is van de kinderopvangtoeslagaffaire omdat van een bijstelling van de kinderopvangtoeslag naar beneden geen sprake is geweest.
8. Niet in geschil is dat er ten aanzien van eiseres sprake is geweest van groepsgewijze vooringenomenheid. De rechtbank constateert verder dat, mede gelet op voorgaande uitleg, de Wht vervolgens twee vormen van schadevergoeding kent, namelijk compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met artikel 2.2 en 2.3 van de Wht en (aanvullende) werkelijke schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht, als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten aanzien van eiseres geen sprake is geweest van een bijstelling van de kinderopvangtoeslag naar beneden, zodat er van compensatie conform het forfaitaire stelsel van artikel 2.2 en 2.3 van de Wht geen sprake kan zijn. Immers is die compensatie gekoppeld aan (de beschikking tot) het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag. In die zin is het verzoek om compensatie naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.
9. De vraag die dan nog voorligt is of terecht is geoordeeld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op andere wijze schade heeft geleden als gevolg van de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Als daarvan sprake is, komt eiseres immers op grond van het derde lid van artikel 2.1 van de Wht in aanmerking voor aanvullende vergoeding tot het bedrag van de werkelijk geleden schade. De BAC, en verweerder heeft die motivering overgenomen, schrijft dat de stelling dat eiseres veel tijd heeft gestoken in het verzamelen van stukken onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiseres materiële schade heeft geleden door haar betrokkenheid bij het CAF-onderzoek. Verder wordt gemotiveerd dat eiseres door de (als vooringenomen aangemerkte) brede uitvraag misschien wel frustratie en stress heeft ervaren, maar dat dit onvoldoende is om immateriële schade aannemelijk te maken. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Daarvoor is van belang dat schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid Wht ook werkelijke schade (kan) omvat(ten). Eiseres moet deze schade aannemelijk maken, maar hoeft deze niet te bewijzen. In dat kader is naar het oordeel van de rechtbank relevant, en daar wijst eiseres terecht op, dat de Commissie Werkelijke Schade (CWS)in paragraaf 3.2 vermeldt dat ervan wordt uitgegaan dat alle (gedupeerde) ouders tijd kwijt zijn geweest aan problemen met de kinderopvangtoeslag, onder meer voor de tijd die nodig was om de gevraagde stukken te verzamelen. De CWS wil die tijd compenseren en hanteert daarvoor bepaalde vastgestelde bedragen, zoals vermeld in het schadekader. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder, gelet op het schadekader en het criterium dat eiseres werkelijke schade aannemelijk moet maken, in ieder geval (nader) moeten onderzoeken of eiseres – als gevolg van het vooringenomen handelen door verweerder – werkelijke schade heeft geleden en – zo ja – welk bedrag aan schadevergoeding dan moet worden toegekend. Ook voor wat betreft de immateriële schade geeft de CWS aan dat het volledige verhaal van de ouder voldoende is en dat de ouder niet zelf bedragen hoeft te noemen. Gelet daarop had eiseres naar het oordeel van de rechtbank moeten worden uitgenodigd haar volledige verhaal te vertellen, teneinde (ook) vast te kunnen stellen of er – als gevolg van het vooringenomen handelen door verweerder – sprake was van immateriële schade en – zo ja – welk bedrag aan immateriële schadevergoeding eiseres dan toekomt.
10. Tot slot ligt aan de rechtbank de vraag voor of – als verweerder zou besluiten dat voldoende aannemelijk is dat eiseres (werkelijke) schade heeft geleden en zij in aanmerking komt voor schadevergoeding – eiseres daarmee op grond van artikel 2.7 van de Wht ook recht heeft op een bedrag van € 30.000,-. In tegenstelling tot hetgeen partijen ter zitting daarover hebben gesteld, is de rechtbank van oordeel dat daar geen recht op bestaat als geen recht bestaat op compensatie op grond van het bepaalde in artikel 2.2 en 2.3 van de Wht. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wht bepaalt dat alleen recht bestaat op dat bedrag als eiseres recht heeft op een herstelmaatregel. Onder een herstelmaatregel wordt volgens artikel 2.7, vierde lid aanhef en onder b, van de Wht bedoeld toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat daarmee wordt bedoeld de wettelijke (forfaitaire) compensatie in de vorm van herstelmaatregelen zoals die volgt uit 2.1, eerste lid in samenhang met 2.2 en 2.3 van de Wht en dat niet wordt bedoeld een vergoeding van werkelijke schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht.