ECLI:NL:RBOBR:2025:7021

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
25/574
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling kinderopvangtoeslag in het kader van de toeslagenaffaire

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedateerd 31 oktober 2025, wordt het beroep van eiseres gegrond verklaard. Eiseres had verzocht om een herbeoordeling van haar aanspraken op kinderopvangtoeslag over meerdere jaren, in het kader van de compensatie voor de toeslagenaffaire op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen onvoldoende heeft onderzocht of eiseres als gevolg van vooringenomen handelen werkelijke schade heeft geleden. De rechtbank benadrukt dat, hoewel eiseres geen recht heeft op de forfaitaire compensatie van € 30.000,- zonder een herstelmaatregel, dit niet uitsluit dat zij recht heeft op een vergoeding voor daadwerkelijk geleden schade. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de Dienst Toeslagen en draagt hen op om binnen zes weken opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen. Tevens wordt de Dienst Toeslagen veroordeeld in de proceskosten van eiseres, die in totaal € 1.841,64 bedragen, inclusief het griffierecht van € 53,00.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/574

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.M.A. van den Boogaard),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Krari en mr. C. Cimen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door verweerder van het verzoek van eiseres om een herbeoordeling van haar aanspraken op kinderopvangtoeslag over meerdere toeslagjaren, met het oog op compensatie in het kader van de toeslagenaffaire op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk en verweerder moet een nieuw besluit nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop en totstandkoming van het besluit
2. Eiseres heeft twee kinderen waarvoor zij kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Eiseres heeft op 15 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2017, 2018 en 2019. Ook de jaren 2009, 2014 en 2015 zijn beoordeeld.
2.1
In de beschikking van 30 juni 2022 is bepaald dat eiseres op basis van de eerste (lichte) toets niet in aanmerking komt voor een bedrag van € 30.000,- aan compensatie.
2.2
Verweerder heeft onderzocht of bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag in de situatie van eiseres fouten zijn gemaakt en of die fouten gevolgen hebben gehad voor de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW is in haar advies, dat bij het primaire besluit is gevoegd, tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn dat de definitief vastgestelde bedragen aan kinderopvangtoeslag voor de toeslagjaren 2009, 2014, 2015, 2017, 2018 en 2019 onjuist zijn of dat sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. De CvW adviseert dat de compensatieregeling van artikel 49b Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de hardheidscompensatie van artikel 49 Awir niet van toepassing zijn voor de beoordeelde toeslagjaren.
2.3
Onder verwijzing naar het advies van de CvW, is het verzoek om compensatie in het primaire besluit van 16 februari 2023 afgewezen.
2.4
Het bezwaar van eiseres is voor advies voorgelegd aan de bezwaarschriftencommissie (BAC). De BAC heeft eiseres op haar bezwaar gehoord op 7 augustus 2024. Bij advies van 26 september 2024 heeft de BAC geoordeeld dat voldoende vast staat dat sprake is geweest van groepsgewijze vooringenomenheid, gelet op het feit dat eiseres betrokken is geweest bij een onderzoek dat als CAF [1] -11 vergelijkbaar is gekwalificeerd, maar dat in het geval van eiseres niet is gebleken van een stopzetting of terugvordering van de kinderopvangtoeslag in relatie tot het CAF-onderzoek. Daarom acht de BAC onvoldoende aannemelijk dat eiseres materiële schade heeft geleden door haar betrokkenheid bij het CAF-onderzoek. De enkele stelling dat zij veel tijd heeft gestoken in het verzamelen van stukken en dat tijd gelijk staat aan geld, is onvoldoende. Ook is er geen aanleiding om aan te nemen dat er bij eiseres sprake was van immateriële schade. De BAC heeft daarom geadviseerd om het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren.
2.5
In het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de BAC, ongegrond verklaard.
2.6
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder het verzoek van eiseres om compensatie terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Eiseres voert aan dat haar verzoek ten onrechte is afgewezen, omdat zij wel materiële schade heeft ondervonden. Ze was ondernemer en kon zich tijdelijk minder inzetten voor haar onderneming. Zij wijst er in dat kader ook op dat door de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) wordt onderkend dat het aannemelijk is dat ouders die te maken krijgen met vooringenomenheid – zoals bij haar het geval is – schade hebben doordat zij tijd moeten besteden aan administratieve zaken, zoals de tijd die nodig is om gevraagde stukken te verzamelen. Eiseres heeft 294 pagina’s aan informatie moeten verzamelen, dat heeft tijd gekost en daardoor is zij omzet misgelopen. Zij voert verder aan dat er ook sprake is geweest van immateriële schade, want de brede uitvraag heeft haar veel stress en zorg opgeleverd. Ze was bang dat ze de Kinderopvangtoeslag moest terugbetalen. Voor zover zij haar psychisch leed onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken, is het in strijd met het beginsel van ruimhartigheid om haar dat nu tien jaar later nog tegen te werpen. Zij heeft tussen juli en november 2015 in onzekerheid verkeerd en dat zou, mede gelet op het schadekader van CWS moeten leiden tot een immateriële schadevergoeding van € 500,-.
5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht kent de Dienst Toeslagen compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen.
7. Anders dan door verweerder ter zitting is betoogd, is er niet slechts sprake van schade als bedoeld in voornoemd artikel wanneer er sprake is geweest van een bijstelling van de kinderopvangtoeslag naar beneden. Zoals blijkt uit de wettekst, gaat het erom dat er schade is als gevolg van de
uitvoeringvan de kinderopvangtoeslag. Onderdeel van die uitvoering kan ook zijn het doen van een brede uitvraag. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de Memorie van Toelichting [2] . Daarin staat dat een voorwaarde voor toekenning van compensatie is dat de gedupeerde aanvrager schade heeft geleden als gevolg van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Als de vooringenomenheid heeft geleid tot terugvordering of stopzetting, dan wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade. Daar kan dus ook in andere gevallen sprake van zijn, maar dat wordt dan niet direct aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank moet de wettekst, gelezen in samenhang met de Memorie van Toelichting, zo worden uitgelegd dat schade als bedoeld in het voornoemde artikel niet beperkt is tot gevallen waarin sprake was van een bijstelling van de kinderopvangtoeslag naar beneden. Aldus wordt verweerder niet gevolgd in zijn betoog ter zitting dat eiseres geen gedupeerde is van de kinderopvangtoeslagaffaire omdat van een bijstelling van de kinderopvangtoeslag naar beneden geen sprake is geweest.
8. Niet in geschil is dat er ten aanzien van eiseres sprake is geweest van groepsgewijze vooringenomenheid. De rechtbank constateert verder dat, mede gelet op voorgaande uitleg, de Wht vervolgens twee vormen van schadevergoeding kent, namelijk compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met artikel 2.2 en 2.3 van de Wht en (aanvullende) werkelijke schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht, als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten aanzien van eiseres geen sprake is geweest van een bijstelling van de kinderopvangtoeslag naar beneden, zodat er van compensatie conform het forfaitaire stelsel van artikel 2.2 en 2.3 van de Wht geen sprake kan zijn. Immers is die compensatie gekoppeld aan (de beschikking tot) het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag. In die zin is het verzoek om compensatie naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.
9. De vraag die dan nog voorligt is of terecht is geoordeeld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op andere wijze schade heeft geleden als gevolg van de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Als daarvan sprake is, komt eiseres immers op grond van het derde lid van artikel 2.1 van de Wht in aanmerking voor aanvullende vergoeding tot het bedrag van de werkelijk geleden schade. De BAC, en verweerder heeft die motivering overgenomen, schrijft dat de stelling dat eiseres veel tijd heeft gestoken in het verzamelen van stukken onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiseres materiële schade heeft geleden door haar betrokkenheid bij het CAF-onderzoek. Verder wordt gemotiveerd dat eiseres door de (als vooringenomen aangemerkte) brede uitvraag misschien wel frustratie en stress heeft ervaren, maar dat dit onvoldoende is om immateriële schade aannemelijk te maken. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Daarvoor is van belang dat schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid Wht ook werkelijke schade (kan) omvat(ten). Eiseres moet deze schade aannemelijk maken, maar hoeft deze niet te bewijzen. In dat kader is naar het oordeel van de rechtbank relevant, en daar wijst eiseres terecht op, dat de Commissie Werkelijke Schade (CWS) [3] in paragraaf 3.2 vermeldt dat ervan wordt uitgegaan dat alle (gedupeerde) ouders tijd kwijt zijn geweest aan problemen met de kinderopvangtoeslag, onder meer voor de tijd die nodig was om de gevraagde stukken te verzamelen. De CWS wil die tijd compenseren en hanteert daarvoor bepaalde vastgestelde bedragen, zoals vermeld in het schadekader. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder, gelet op het schadekader en het criterium dat eiseres werkelijke schade aannemelijk moet maken, in ieder geval (nader) moeten onderzoeken of eiseres – als gevolg van het vooringenomen handelen door verweerder – werkelijke schade heeft geleden en – zo ja – welk bedrag aan schadevergoeding dan moet worden toegekend. Ook voor wat betreft de immateriële schade geeft de CWS aan dat het volledige verhaal van de ouder voldoende is en dat de ouder niet zelf bedragen hoeft te noemen. Gelet daarop had eiseres naar het oordeel van de rechtbank moeten worden uitgenodigd haar volledige verhaal te vertellen, teneinde (ook) vast te kunnen stellen of er – als gevolg van het vooringenomen handelen door verweerder – sprake was van immateriële schade en – zo ja – welk bedrag aan immateriële schadevergoeding eiseres dan toekomt.
10. Tot slot ligt aan de rechtbank de vraag voor of – als verweerder zou besluiten dat voldoende aannemelijk is dat eiseres (werkelijke) schade heeft geleden en zij in aanmerking komt voor schadevergoeding – eiseres daarmee op grond van artikel 2.7 van de Wht ook recht heeft op een bedrag van € 30.000,-. In tegenstelling tot hetgeen partijen ter zitting daarover hebben gesteld, is de rechtbank van oordeel dat daar geen recht op bestaat als geen recht bestaat op compensatie op grond van het bepaalde in artikel 2.2 en 2.3 van de Wht. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wht bepaalt dat alleen recht bestaat op dat bedrag als eiseres recht heeft op een herstelmaatregel. Onder een herstelmaatregel wordt volgens artikel 2.7, vierde lid aanhef en onder b, van de Wht bedoeld toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat daarmee wordt bedoeld de wettelijke (forfaitaire) compensatie in de vorm van herstelmaatregelen zoals die volgt uit 2.1, eerste lid in samenhang met 2.2 en 2.3 van de Wht en dat niet wordt bedoeld een vergoeding van werkelijke schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand worden gelaten en kan de rechtbank evenmin zelf in de zaak voorzien. Verweerder moet immers nader onderzoek doen naar eiseres’ verzoek om compensatie. De rechtbank zal verweerder daarom opdracht geven om binnen zes weken opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten bedragen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 1) en € 27,64 voor reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Tevens moet verweerder eiseres het betaalde griffierecht van € 53,00 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.841,64;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 53,00 aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, voorzitter, en mr. M. Kleijn Hesselink en mr. R.B.H. Hebbink, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.CAF staat voor Combiteam Aanpak Facilitators, dat is opgericht door de Belastingdienst om fraude gepleegd door facilitators, zoals frauderende gastouderbureaus, te onderzoeken en aan te pakken. Daarbij bleek institutioneel vooringenomen te zijn gehandeld. Het CAF 11-onderzoek is het fraudeonderzoek van het CAF van de Belastingdienst met zaaknummer 11.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.
3.De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade.