ECLI:NL:RBOBR:2025:7023

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
25/766
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling kinderopvangtoeslag in het kader van de toeslagenaffaire

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedateerd 31 oktober 2025, wordt het beroep van eiser gegrond verklaard met betrekking tot de herbeoordeling van zijn aanspraken op kinderopvangtoeslag (KOT) over meerdere jaren, in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser had verzocht om herbeoordeling van zijn aanspraken over de jaren 2011 tot en met 2015, met het oog op compensatie vanwege de toeslagenaffaire. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de situatie van eiser in oktober en november 2012, waaruit blijkt dat er mogelijk recht op KOT bestond. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser evident geen recht had op KOT in deze maanden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de Dienst Toeslagen en verplicht hen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de overwegingen in deze uitspraak. Eiser krijgt ook recht op vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen niet heeft voldaan aan de zorgplicht om adequaat onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van de KOT.

Uitspraak

RECHTBANK
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/766

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.M.A. van den Boogaard),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Krari en mr. C. Cimen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de besluiten van verweerder op eisers verzoek om een herbeoordeling van zijn aanspraken op kinderopvangtoeslag (KOT) over meerdere toeslagjaren met het oog op compensatie in het kader van de toeslagenaffaire op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk en verweerder moet een nieuw besluit nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop en totstandkoming van het besluit
2. Eiser heeft op 6 april 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2015.
2.1
In de lichte toets is op 23 juni 2021 geoordeeld dat eiser in aanmerking komt voor de betaling van € 30.000,- aan compensatie. En in de “vooraankondiging compensatie kinderopvangtoeslag” van 31 maart 2022 is vervolgens aangegeven dat bij de beoordeling van eisers situatie over de toeslagjaren 2011, 2012, 2014 en 2015 fouten zijn gemaakt en dat eiser nog eens € 2.834,- extra krijgt. De definitieve compensatieberekening volgt later.
2.2
Verweerder heeft onderzocht of bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag in de situatie van eiser fouten zijn gemaakt en of die fouten gevolgen hebben gehad voor de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW is in haar advies van 24 november 2021 tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn dat het definitief vastgestelde bedrag aan kinderopvangtoeslag voor het toeslagjaar 2013 onjuist is of dat sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Voor toepassing van de hardheidscompensatie bestaat volgens de CvW evenmin reden. Wel komt eiser voor het toeslagjaar 2013 in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming. De CvW heeft voorts geconcludeerd dat voor de toeslagjaren 2011, 2012, 2014 en 2015 de compensatieregeling wel van toepassing is, behoudens voor de maanden oktober tot en met december 2012 en de periode 4 maart tot en met 31 december 2015, omdat eiser toen evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Wel gaat de CvW ervan uit dat een O/GS-tegemoetkoming ook zal plaatsvinden over de terugvorderingen van 2012 en 2015 voor zover die naar evenredigheid zijn toe te rekenen aan de maanden en de periode waarin de compensatieregeling buiten toepassing blijft omdat sprake is van evident geen recht.
2.3
Verweerder heeft op 3 juni 2022 de volgende primaire besluiten genomen:
  • Besluit met kenmerk UHT-DC I. Dit besluit gaat over de herbeoordeling van de toeslagjaren 2011, 2012 (januari t/m september), 2014 en 2015 (1 januari t/m 3 maart). In het besluit is een compensatie toegekend van € 33.134,-.
  • Besluit met kenmerk UHT-DC-I A. Dit besluit gaat over de herbeoordeling van de toeslagjaren 2012 (oktober t/m december), 2013 en 2015 (4 maart t/m 31 december) inzake vooringenomenheid. In het besluit is het verzoek om compensatie afgewezen.
  • Besluit met kenmerk UHT-DH5 A. Dit besluit gaat over de herbeoordeling van de toeslagjaren 2012 (oktober t/m december), 2013 en 2015 (4 maart t/m 31 december) inzake hardheid. In dit besluit is het verzoek om compensatie afgewezen.
2.4
Het bezwaar van eiser, dat is gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek om compensatie over de periode oktober tot en met december 2012, 2013 en 4 maart tot en met 31 december 2015, is voor advies voorgelegd aan de bezwaarschriftencommissie (BAC). De BAC heeft eiser op zijn bezwaar gehoord op 5 december 2024. Bij advies van 12 februari 2025 heeft de BAC geadviseerd:
  • over toeslagjaar 2011: dat van het bij het primaire besluit vastgestelde compensatiebedrag over dat jaar moet worden uitgegaan;
  • over toeslagjaar 2012: dat eiser over de maand december 2012 wél recht op KOT had en recht op compensatie, maar niet over de maanden oktober en november 2012;
  • over toeslagjaar 2013: dat eiser evident geen recht heeft op KOT in dit jaar;
  • over toeslagjaar 2015: dat eiser van 4 maart t/m 31 december van dit jaar geen recht had op KOT.
  • dat moet worden uitgegaan van de aangepaste componenten zoals verweerder bij de beschouwing in de nieuwe compensatieberekening heeft vastgesteld, aangezien eiser tegen de aanpassing van deze componenten geen bezwaar heeft gemaakt.
De BAC heeft daarom geadviseerd om het bezwaar van eiser op onderdelen te herroepen en de overige bezwaren ongegrond te verklaren, onder toewijzing van het verzoek om vergoeding van de proceskosten.
2.5
In het bestreden besluit van 11 maart 2025 is verweerder, onder verwijzing naar het advies van de BAC, gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser. Daarbij heeft verweerder het totale compensatiebedrag vastgesteld op € 36.600,- en is verweerder tegemoet gekomen aan eisers verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar.
2.6
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
2.7
Het onderzoek is gesloten ter zitting. De nadien nog ingekomen stukken worden daarom niet meegenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder het verzoek van eiser om compensatie terecht heeft afgewezen over de periode oktober t/m november van het toeslagjaar 2012 en over het toeslagjaar 2013. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Oktober en november 2012
4. Over het toeslagjaar 2012 is aan eiser compensatie toegekend over de maanden januari tot en met september 2012 en over de maand december 2012. Tussen partijen is (nog) in geschil of eiser over de maanden oktober en november van het toeslagjaar 2012 ook recht had op compensatie. Volgens verweerder had eiser in deze maanden evident geen recht had op kinderopvangtoeslag, op de grond dat toen niet werd voldaan aan de voorwaarden. De reden daarvoor is volgens verweerder dat eisers partner vanaf 1 juli 2012 werkloos was en zij recht had op drie maanden doorwerking van de KOT, dus tot 1 oktober 2012.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van eiser bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in het toeslagjaar 2012 sprake is geweest van vooringenomenheid. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt echter dat compensatie niet wordt toegekend indien de door eiser geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem te wijten zijn. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat hieronder ook de situatie valt waarin evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat [1] .
6. In de memorie van toelichting staat hierover het volgende:
“Het niet toekennen van compensatie als sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag (in onderstaand citaat: KOT) toerekenbaar is, sluit aan bij het advies van de Adviescommissie uitvoering toeslagen. Over wanneer in de CAF 11-zaak sprake is geweest van een ernstige onregelmatigheid schrijft die commissie: “Daarvan is in ieder geval sprake indien uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op KOT bestond in het onderzochte toeslagjaar. Dit is bijvoorbeeld het geval als het kind waarvoor KOT is aangevraagd niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, of in het geheel geen opvang heeft genoten. Een ander voorbeeld vormen de gevallen waarin in twee gezinnen de ouders tegelijkertijd passen op elkaars kinderen, zonder dat een ander dienstverband bestaat. Ook als de toeslagpartner geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland bestaat er evident geen recht op KOT”.
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat de in de memorie gegeven voorbeelden van “evident geen recht” hier niet aan de orde zijn. Dat laat onverlet dat er ook andere gevallen kunnen zijn waarin “evident geen recht” op KOT bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan verweerder om dit goed te onderzoeken en toe te lichten. Dat heeft verweerder niet gedaan en daarvoor is het volgende van belang.
8. Verweerder stelt dat de partner van eiser werkloos was van 1 juli 2012 tot 1 december 2012, waardoor er als gevolg van de doorwerking nog recht bestond op KOT tot 1 oktober 2012. Ter zitting is toegelicht dat dit wordt gebaseerd op enerzijds een overzicht van het UWV, waaruit volgt dat er in die maanden 0 uren is gewerkt door de partner van eiser en anderzijds een tabellenoverzicht waarop verzamelinkomens staan vermeld die in de betreffende maanden lager worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte de conclusie getrokken, op basis van de thans voorhanden zijnde bewijsstukken, dat er evident geen recht was op KOT. Verweerder baseert dit namelijk uitsluitend op het feit dat er ten aanzien van eisers partner geen gewerkte uren zijn geregistreerd bij het UWV en dat het verzamelinkomen is gedaald. Echter, uit het in 2012 geldende artikel 1.6 lid 1 en lid 3 Wet kinderopvang, volgt dat er in veel meer gevallen recht op KOT kan bestaan. Een ouder die een partner heeft met een onderneming zou ook aanspraak kunnen maken op kinderopvangtoeslag. Winst uit onderneming (arbeidsinkomen) wordt – zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd – echter niet door het UWV geregistreerd. Dat is in dezen te meer van belang, nu de partner van eiser in 2012 een onderneming had die stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Verweerder heeft hiernaar evenwel geen enkel onderzoek verricht. Ter zitting heeft verweerder ook erkend dat dit aspect onvoldoende is onderzocht. Reeds hierom kan niet worden geconcludeerd dat er in oktober en november 2012 evident geen recht bestond op kinderopvangtoeslag.
9. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager kan worden toegerekend.
Toeslagjaar 2013
10. De rechtbank is van oordeel dat aan eiser over het toeslagjaar 2013 terecht geen compensatie is toegekend. In het dossier zit een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2013 dat is ingevuld en ondertekend door eiser. Daarin geeft hij aan dat in 2013 geen gebruik is gemaakt van kinderopvang. Daarin heeft eiser ook verklaard het antwoordformulier naar waarheid te hebben ingevuld. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij dit formulier inderdaad op deze wijze heeft ingevuld en ondertekend. Verweerder mag op de juistheid van dit formulier vertrouwen, zodat het niet toekennen van KOT over 2013 het gevolg is van de eigen opgave door eiser. Er is dus geen sprake geweest van vooringenomenheid of hardheid aan de zijde van de Belastingdienst. In de KOI-viewer zijn daarnaast ook geen opvanggegevens bekend over 2013 en eiser heeft ook geen stukken overgelegd waaruit – in weerwil van zijn eigen verklaringen in het antwoordformulier – eenduidig kan worden afgeleid dat hij in 2013 wél gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Gelet hierop komt eiser over dit toeslagjaar niet in aanmerking komt voor compensatie vanwege vooringenomenheid of hardheid. Eisers stelling dat de vooringenomen behandeling erin is gelegen dat er na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 mei 2018 geen nader onderzoek is verricht, volgt de rechtbank evenmin. Uit de uitspraak blijkt dat eiser een verzoek om herziening voor het toeslagjaar 2013 bij verweerder kan indienen, zodat er eerst actie vanuit eiser werd verwacht. Eiser heeft een dergelijk verzoek volgens verweerder echter nooit ingediend en eiser heeft het tegendeel niet aangetoond.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank wijst het verzoek van verweerder om de zaak aan te houden en/of een bestuurlijke lus toe te passen dus af. De reden daarvoor is dat dit geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze is, nu verweerder ter zitting enerzijds heeft aangegeven graag nog nader onderzoek te willen doen en heeft erkend dat het onderzoek tot heden onvoldoende is geweest, maar anderzijds het standpunt heeft gehandhaafd dat er over de maanden oktober en november 2012 evident geen recht was op KOT. De rechtbank zal verweerder opdragen om – met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen – opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen binnen een termijn van zes weken na de datum van deze uitspraak.
12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Tevens moet verweerder eiser het betaalde griffierecht van € 53,00 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 maart 2025;
- bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 53,00 aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, voorzitter, mr. D.J.M. van de Voort en mr. M. Kleijn Hesselink, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 50.