Op 10 september 2024 heeft verdachte zijn echtgenote meermalen met een mes in de rug en armen gestoken en haar geslagen in gezicht en hals, terwijl hun drie minderjarige kinderen getuige waren. De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer vanwege de aard en plaats van de steekwonden.
De verdediging voerde aan dat niet vaststaat met welk scherp voorwerp en met welke kracht is gestoken en dat verdachte zich niets herinnert, maar de rechtbank verwierp dit en achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank stelde dat het driemaal met kracht steken in het bovenlichaam een aanmerkelijke kans op overlijden inhoudt en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot vijf jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, een contact- en gebiedsverbod voor vijf jaar, en een gedragsbeïnvloedende maatregel (artikel 38z Sr). Tevens werd een immateriële schadevergoeding van €15.000 toegekend aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De vorderingen van de minderjarige kinderen en materiële schade werden niet-ontvankelijk verklaard.
Het contact- en gebiedsverbod is dadelijk uitvoerbaar en kan incidenteel worden opgeschort voor contact met de kinderen met toestemming van een hulpinstantie. Bij overtreding wordt vervangende hechtenis opgelegd. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.