Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[gedaagde 1] B.V.,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
3.
[gedaagde 3] B.V.,
1.De procedure
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 april 2025
2.De verdere beoordeling
De tegenvordering van [gedaagden] (de reconventie) ziet op de depotbedragen: [gedaagden] wil dat die worden vrijgegeven aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
hier aan de orde zijnde renteeen compensatie is voor betalingen die zijn gedaan
voor oplevering,dat het voor S5 ook een
harde eiswas om
dierentevergoeding te krijgen, dat die
zo ook in de overeenkomst [is] gekomen, en dat dat indertijd ook gebruikelijk was voor de forward funding, waarbij beleggers al tijdens de bouw iets van rendement op hun investering wilden zien. Daarmee is de verklaring van [A] op dit – essentiële – punt tegenstrijdig: eenmaal is zijn verklaring in lijn met het standpunt van [gedaagden] , maar daarvóór en met name daarna verklaart [A] uitvoerig(er) in lijn met het standpunt van S5. Daar komt bij dat [A] zich de door [B] gestelde latere videocall over de rente niet kan herinneren.
- de depotbedragen van € 54.400,= en € 50.500,= in beginsel aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten toekomen;
- zij ervan uitgaat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bedoeld hebben te vorderen dat de rechtbank bepaalt dat de beide depotbedragen aan hen moeten worden uitgekeerd, en dat het aldus te wijzen vonnis zal gelden als een vonnis in de zin van artikel 2 sub b van Pro de beide depotovereenkomsten;
- de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is en dat de beide depotbedragen zullen moeten worden uitgekeerd met inachtneming van wat daarover in de algemene bepalingen van de depotovereenkomsten is opgenomen.