ECLI:NL:RBOBR:2025:7069

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
14 augustus 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
11777743 CV EXPL 25-4866
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis inzake consumentenrecht en kredietovereenkomsten met betrekking tot 'buy now, pay later'

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 14 augustus 2025 een tussenvonnis uitgesproken in een civiele procedure tussen Billink Finance B.V. en een niet verschenen gedaagde. De eisende partij, Billink Finance B.V., heeft gevorderd dat de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. De gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

De vordering betreft een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument, waarbij de consument de mogelijkheid heeft gekozen om het aankoopbedrag pas later te betalen, ook wel aangeduid als 'buy now, pay later'. Dit type overeenkomst valt onder de consumentenbeschermende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, met name de informatieplichten en de kredietwaardigheidstoets. De kantonrechter heeft in zijn beoordeling verwezen naar relevante artikelen uit het BW en de Wet op het financieel toezicht, en naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat van belang is voor de beoordeling van de kosten die aan dergelijke kredietovereenkomsten zijn verbonden.

De kantonrechter heeft Billink Finance B.V. in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat het verleende krediet onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW valt, en dat de aangerekende rente en kosten geen deel uitmaken van het verdienmodel. De kantonrechter heeft daarbij gewezen op een rapport van de AFM dat aantoont dat veel kredietverstrekkers inkomsten genereren uit niet-betalende consumenten. De zaak is verwezen naar de rolzitting van 11 september 2025 voor verdere uitlating door de eisende partij, waarbij iedere verdere beslissing is aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11777743 CV EXPL 25-4866
Vonnis van 14 augustus 2025
in de zaak van
Billink Finance B.V.,
gevestigd te Rotterdam en kantoorhoudende te Gouda,
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar een bedrag te betalen met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.
Tegen de niet verschenen gedaagde partij is verstek verleend.
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De beoordeling

De vordering van eisende partij ziet op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument, waarbij de consument bij de aankoop heeft gekozen voor de aangeboden mogelijkheid om (een deel van) het aankoopbedrag pas na enige tijd te betalen. Deze uitgestelde betaling wordt ook wel ‘buy now, pay later’ genoemd en is in beginsel een vorm van kredietverstrekking.
Op kredietovereenkomsten tussen een kredietverstrekker die handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en een consument zijn in beginsel consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De meeste van die bepalingen staan in titel 2A (artikel 57 en verder) van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het belangrijkste in dit verband zijn de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW. Ook in artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is een belangrijke consumentenbeschermende bepaling opgenomen, namelijk een kredietwaardigheidstoets, waarmee wordt beoogd het risico op terugbetalingsproblemen te beperken.
In artikel 7:58 lid 2 BW zijn enkele uitzonderingen opgenomen van kredietovereenkomsten waarvoor minder consumentenbescherming nodig wordt geacht. Eén van die uitzonderingen is opgenomen onder sub e van dat artikel: een kredietovereenkomst waarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en waarvoor slechts onbetekenende kosten kunnen worden aangerekend.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 17 oktober 2024 (C-409/23, ECLI:EU:C:2024:895) op prejudiciële vragen van de Hoge Raad geoordeeld dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van een krediet zonder kosten of een krediet met onbetekenende kosten in de zin van artikel 7:58 lid 2, onder e, BW vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten niet in aanmerking mogen worden genomen, ongeacht of de vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn op grond van de wet of op grond van de overeenkomst en ongeacht of deze – als het gaat om bedongen rente en kosten – hoger zijn dan hetgeen zonder het beding op grond van de wet verschuldigd zou zijn. Vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten moeten daarbij echter wel in aanmerking worden genomen indien de kredietgever, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument zijn betalingsverplichting niet zal nakomen.
In dit verband verwijst de kantonrechter ook naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 27 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1008). De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat bij de beoordeling of zich het hiervoor bedoelde geval voordoet, de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren dient te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten.
De kantonrechter zal eisende partij in de gelegenheid stellen om te onderbouwen dat het door haar verleende krediet valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW en daarbij aan te tonen dat zij voldoet aan de regels om voor deze uitzondering in aanmerking te komen. Eisende partij dient zich in dat verband derhalve concreet en onderbouwd uit te laten over het verdienmodel. De kantonrechter merkt daarbij op dat hij kennis heeft genomen van het rapport “Buy Now, Pay Later, Verkenning van een nieuwe trend” van de AFM uit 2022 [1] , in het bijzonder paragraaf 4.5, waaruit volgt dat veel kredietverstrekkers die een achteraf betaalmethode aanbieden een substantieel deel van hun inkomsten genereren uit niet-betalende consumenten. De kredietverstrekker waarvan gedaagde partij in deze zaak gebruik heeft gemaakt, is één van de vijf kredietverstrekkers die door de AFM is onderzocht. Gelet op deze bevindingen van de AFM moet er derhalve ernstig rekening mee worden gehouden dat dit ook (onderdeel van) het verdienmodel van de kredietverstrekker in onderhavige zaak is en dat eisende partij derhalve geen beroep op de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW toekomt. .
Eisende partij krijgt de gelegenheid onderbouwd toe te lichten dat dit niet het geval is. De kantonrechter wijst eisende partij in dit kader, gelet op de aard van de gevraagde gegevens, op het bepaalde in artikel 22 lid 2 en 3 en artikel 22a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Mocht eisende partij daarop een beroep willen doen, dan moet zij dit motiveren.
Als de kantonrechter tot het oordeel komt dat de kredietovereenkomst niet is uitgezonderd van het toepassingsgebied van titel 7.2A BW, dan zal de kantonrechter ambtshalve moeten toetsen of de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW zijn nageleefd en of de in artikel 4:34 Wft bedoelde kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Als daar niet aan is voldaan, of als eisende partij er niet in slaagt aan te tonen dat daaraan is voldaan, zal de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. De kantonrechter zal eisende partij in de gelegenheid stellen om ook op dit punt een toelichting, voor zover mogelijk onderbouwd met bewijsstukken, te geven.
De zaak wordt voor akte uitlating door eisende partij verwezen naar de rol.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 11 september 2025 te 9:00 uur, voor het nemen van een akte na tussenvonnis door eisende partij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2025.

Voetnoten

1.gepubliceerd op de website van de AFM onder https://www.afm.nl/nl-nl/consumenten/themas/lenen/achteraf-betalen