De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het meermalen verwerven en bezitten van kinderporno in de periode van mei 2016 tot oktober 2021. Verdachte gebruikte zijn computer en mobiele telefoon voor het binnenhalen, opslaan en bekijken van kinderpornografische afbeeldingen. Hoewel de officier van justitie een gewoonte maken van het bezit van kinderporno vorderde, achtte de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte daarvan vrij.
De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, waarbij het bezit van kinderporno mede bijdraagt aan de seksuele uitbuiting van kinderen. De strafbepaling hield rekening met de aard van het delict, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De rechtbank legde een taakstraf van 180 uur op, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
Verdachte erkende het bezit van kinderporno, maar stelde destijds niet te weten dat dit strafbaar was. De rechtbank nam zijn schuldbewuste houding mee, maar twijfelde aan zijn volledige inzicht in de ernst van het delict. De straf is mede gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en het blanco strafblad van verdachte.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 11 februari 2025, waarbij de dagvaarding van 14 januari 2025 geldig werd verklaard en de strafvordering van de officier van justitie grotendeels werd gevolgd, met uitzondering van het onderdeel gewoonte maken van het bezit van kinderporno.