De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 4 november 2025 de zaken tegen verdachte onder twee parketnummers. Verdachte werd beschuldigd van brandstichting en ontploffing in maart 2025, en van schennis van de eerbaarheid en vernieling in juli 2025.
De rechtbank sprak verdachte vrij van brandstichting en ontploffing wegens gebrek aan bewijs. De verklaring van verdachte over het ontstaan van de brand werd niet weersproken en er ontbrak forensisch bewijs en ooggetuigen die het tegendeel konden bevestigen.
Voor de feiten van schennis van de eerbaarheid en vernieling werd verdachte wel veroordeeld. De rechtbank stelde vast dat de handelingen in het openbaar plaatsvonden en dat verdachte het intercompaneel in de politiecel vernielde. Gezien zijn strafrechtelijk verleden, instabiele situatie en hoge recidiverisico legde de rechtbank een ISD-maatregel van twee jaar op om recidive te voorkomen en zijn problematiek aan te pakken.
De rechtbank wees het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af en motiveerde dat de maatregel passend is gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.