ECLI:NL:RBOBR:2025:7130
Rechtbank Oost-Brabant
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op tegemoetkoming studievertraging COVID-19 en hardheidsclausule
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin haar bezwaar tegen het weigeren van een tegemoetkoming wegens studievertraging door COVID-19 werd afgewezen. De minister had het bezwaar ongegrond verklaard omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming studenten.
De kern van het beroep betrof de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000. Eiseres stelde dat zij vanwege studievertraging door COVID-19 recht had op een tegemoetkoming op grond van deze clausule. De rechtbank oordeelde dat de toetsing van de hardheidsclausule terughoudend is en dat alleen sprake kan zijn van een onbillijkheid van overwegende aard.
De rechtbank verwierp het betoog van eiseres dat de hardheidsclausule ruimer toegepast zou moeten worden op basis van de Nota van Toelichting bij de regeling. Ook het feit dat eiseres net buiten de regeling valt, vormt geen onbillijkheid van overwegende aard. De minister kon in redelijkheid afzien van toepassing van de hardheidsclausule. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd mondeling gedaan op 28 oktober 2025 door rechter A.F. Vink in aanwezigheid van griffier F.C. Meulemans.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van tegemoetkoming wegens studievertraging door COVID-19 wordt ongegrond verklaard.