Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. G. de Jong, rechter bij de Rechtbank Oost-Brabant, naar aanleiding van eerdere procedures waarin verzoeker als gemachtigde optrad. Het verzoek richtte zich op vermeende partijdigheid en het procesgedrag van de rechter in een eerdere zaak (zaaknummer SHE 24/2035).
De wrakingskamer constateerde dat het verzoek te laat was ingediend, namelijk na de einduitspraak in de hoofdzaak, waardoor het verzoek niet ontvankelijk was voor zover het betrekking had op die zaak. Voor de andere zaken waarin verzoeker het verzoek indiende, ontbraken concrete feiten of omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid konden rechtvaardigen.
De wrakingskamer oordeelde dat de enkele betrokkenheid van de rechter bij eerdere zaken waarin verzoeker optrad onvoldoende is om vooringenomenheid aan te nemen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die dit anders maakten. Een mondelinge behandeling van het verzoek werd niet noodzakelijk geacht.
De wrakingskamer verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk en wees het wrakingsverzoek af. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.