ECLI:NL:RBOBR:2025:7300
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid
Op 30 april 2025 heeft de kantonrechter verstekvonnis gewezen in een zaak waarbij verzoeker partij was. Verzoeker kwam in verzet en diende bewijs in om tijdige verzetstelling aan te tonen. Na een tussenvonnis en aanvullende stukken besloot de rechtbank bepaalde producties niet in behandeling te nemen. Hiertegen diende verzoeker op 9 september 2025 een wrakingsverzoek in tegen de rechter.
Verzoeker stelde dat de rechter niet rechtvaardig en corrupt zou zijn omdat de producties niet werden meegenomen. De rechter reageerde op 24 september 2025 en berustte niet in het verzoek. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op grond van artikel 36 Rv Pro en het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant.
De wrakingskamer oordeelde dat wraking alleen kan worden toegewezen bij uitzonderlijke omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. Een procedurele beslissing zoals het niet in behandeling nemen van stukken vormt geen grond voor wraking tenzij deze onomstotelijk wijst op partijdigheid, wat hier niet het geval was.
Er werden geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die vooringenomenheid aannemelijk maken. Het verzoek werd daarom zonder zitting afgewezen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.