ECLI:NL:RBOBR:2025:7302

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
WR 25/028
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 1 GrondwetArt. 39, vijfde lid, RvArtikel 5, tweede lid, wrakingsprotocol rechtbank Oost-Brabant
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens gebrek aan betrekking op rechter

In een procedure over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige zoon van verzoeker werd een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter. Verzoeker stelde dat hij gestraft werd voor een eerder wrakingsverzoek en dat de procedure niet correct verliep, met verwijzing naar het verbod op discriminatie en gebrekkige procedures.

De rechter reageerde dat hij geen inhoudelijke betrokkenheid had gehad en geen vooringenomenheid bestond. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en stelde vast dat het verzoek niet specifiek betrekking had op de rechter die de zaak behandelde, maar op de procedure in het algemeen.

Omdat het wrakingsverzoek geen concrete feiten of omstandigheden bevatte die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, verklaarde de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk en vond geen inhoudelijke behandeling plaats.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet specifiek tegen de rechter was gericht.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25/028

Beslissing van 21 oktober 2025

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van

mr. L.J. Geerits,

hierna te noemen: de rechter.

De procedure

1.1
In de zaak met procedurenummer 417755 JE RK 25-1016 is verzoeker partij. In deze zaak gaat het om een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de minderjarige zoon van verzoeker onder toezicht te stellen en voor een periode van zes maanden uit huis te plaatsen. In die zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek tegen de behandeld rechter ingediend, dat bij de wrakingskamer in behandeling is met zaaknummer WR 25/022. Dat wrakingsverzoek wordt op 30 oktober 2025 op een zitting (dat is de mondelinge behandeling) behandeld.
1.2
Een andere rechter heeft op 13 oktober 2025 beslissingen genomen over de voorlopige ondertoezichtstelling en de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon van verzoeker. Deze zaak heeft als kenmerk 419950 JE RK 25-1382. De mondelinge behandeling, waarbij de rechter dient te beoordelen of de beslissing van 13 oktober 2025 terecht en op goede gronden is genomen, is gepland op 22 oktober 2025. Op 21 oktober 2025 is het kindgesprek door de rechter gepland. Op 17 oktober 2025 heeft verzoeker het verzoek tot wraking van de rechter ingediend.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop

2.1
Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat hij door de verlengde ondertoezichtstelling gestraft wordt voor zijn wrakingsverzoek in de zaak met kenmerk 417755 JE RK 25-1016. Volgens verzoeker moeten de rechtspraak en vooral de wrakingskamer hierin hun verantwoordelijkheid dragen, want zij hebben deze situatie gecreëerd. Volgens verzoeker is er strijd met het verbod op discriminatie zoals dat is neergelegd in artikel 1 van Pro de Grondwet. Verzoeker vraagt zich ook af hoe het kan dat een spoedmachtiging wordt uitgesproken, zonder dat partijen zijn gehoord of het kind is betrokken. Tot slot wijst verzoeker op diverse onderzoeken waaruit zou blijken dat de procedures rond ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen niet goed verlopen.
2.2
Op 20 oktober 2025 heeft de rechter gereageerd op het wrakingsverzoek. Uit deze reactie blijkt dat de rechter niet berust in het wrakingsverzoek. De rechter geeft aan dat hij voorafgaand aan het wrakingsverzoek nog geen inhoudelijke betrokkenheid bij de zaak heeft gehad en ook nog geen beslissingen heeft genomen. Er is bij hem daarom geen sprake van vooringenomenheid en hij heeft ook op geen enkel moment de rechterlijke onpartijdigheid geschonden.

De beoordeling

3.1
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek moet voorop staan dat een rechter door zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.2
De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond verklaren indien het wrakingsverzoek geen betrekking heeft op de rechter die met de behandeling van de zaak is belast (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
3.3
Een wrakingsgrond moet liggen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter van wie wraking is verzocht. Uit het wrakingsverzoek blijkt echter niet dat dit betrekking heeft op de rechter die met de behandeling van de zaak belast zal zijn. Het enkele noemen van de naam van de rechter is daarvoor onvoldoende. Gelet op de motivering van het verzoek is dit niet specifiek gericht tegen de rechter, maar tegen de procedure als geheel.
3.4
Bij het wrakingsverzoek zijn ook overigens geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is. Dat houdt in dat het verzoek niet inhoudelijk zal worden behandeld. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gelet op het voorgaande niet toegekomen.

De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. F.H.E. Boerma en
mr. A.H.J.J. van de Wetering, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).