ECLI:NL:RBOBR:2025:7304
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in huurovereenkomstzaak
In een civiele procedure over een huurovereenkomst en betalingsverplichting diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de zaak behandelde. Verzoeker was ontevreden over de gang van zaken tijdens de zitting, waaronder de vragen van de rechter, de toelating van documenten en de spreektijd van partijen. Tevens stelde verzoeker dat de rechter het bewijsmateriaal niet objectief had gewogen en onjuist had gehandeld bij de afwijzing van een reconventionele vordering.
De rechter reageerde dat procesbeslissingen zoals het toelaten van bewijsstukken en het afwijzen van vorderingen geen grond voor wraking vormen. Beide partijen hadden voldoende spreektijd gehad en het standpunt van verzoeker was genoteerd voor het vonnis.
De wrakingskamer oordeelde dat wraking alleen kan worden toegewezen bij feiten of omstandigheden die wijzen op vooringenomenheid of de schijn daarvan. Procesbeslissingen zijn niet geschikt als wrakingsgrond tenzij deze objectief als vooringenomenheid kunnen worden opgevat, wat hier niet het geval was. Er waren geen concrete feiten die een vermoeden van partijdigheid rechtvaardigden.
Daarom werd het wrakingsverzoek zonder zitting afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens gebrek aan gronden voor vooringenomenheid.