In deze civiele procedure, behandeld door de Rechtbank Oost-Brabant, is op 12 november 2025 een vonnis in incident gewezen. De zaak betreft een vordering van [gedaagde] B.V. tegen [eiser], waarbij [gedaagde] verzoekt om zekerheidstelling voor de proceskosten. [gedaagde] stelt dat [eiser] gevestigd is in [land] en dat er geen uitzonderingssituatie is die een vrijstelling van de zekerheidstelling rechtvaardigt. De gevorderde zekerheid bedraagt in totaal € 6.837,00, bestaande uit griffierecht, advocaatkosten en nakosten. [eiser] erkent de noodzaak van zekerheidstelling, maar vraagt om een termijn van vier weken in plaats van de door [gedaagde] gevraagde twee weken, vanwege bureaucratische procedures in [land]. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot zekerheidstelling moet worden toegewezen en stelt de termijn voor het stellen van zekerheid op vier weken. Tevens wordt bepaald dat als [eiser] niet tijdig zekerheid stelt, dit kan leiden tot niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak. De rechtbank compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De hoofdzaak zal op 7 januari 2026 weer op de rol komen voor uitlating over de zekerheidstelling.