ECLI:NL:RBOBR:2025:7595

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
25/2659
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:16 AwbArt. 8:81 AwbArt. 13b OpiumwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting hennepkwekerij bijgebouw en schuur

De burgemeester van de gemeente Oirschot heeft op 9 oktober 2025 besloten een bijgebouw en een schuur op een perceel te sluiten voor zes maanden vanwege de aanwezigheid van een geoogste hennepkwekerij. Verzoekers, eigenaar van het bijgebouw en de schuur, maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening om de sluiting te schorsen.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 11 november 2025 en oordeelde dat het spoedeisend belang van verzoekers twijfelachtig is. De plannen voor verbouwing tot mantelzorgwoning waren niet tijdig en onvoldoende onderbouwd, en ook de noodzaak om de schuur open te houden wegens schimmelvorming was niet aannemelijk gemaakt. De woning zelf blijft open en verzoeker 1 kan deze blijven gebruiken.

De politie had op 21 augustus 2021 een hennepkwekerij met 972 potten en groeimiddelen aangetroffen in het bijgebouw, en afval van de kwekerij in de schuur. De burgemeester was op grond van de Opiumwet bevoegd bestuursdwang toe te passen. De voorzieningenrechter vond dat de burgemeester terecht voor sluiting heeft gekozen omdat minder ingrijpende middelen onvoldoende effectief zijn.

De belangenafweging leidde tot het oordeel dat de sluiting evenwichtig is, mede omdat de woning open blijft en de nadelige gevolgen voor bewoners zijn meegewogen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de sluiting van het bijgebouw en de schuur wordt afgewezen, waardoor de burgemeester mag sluiten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2659

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker 1] uit [woonplaats], verzoeker 1,

[verzoeker 2]uit [woonplaats], verzoeker 2,
(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),
en

De burgemeester van de gemeente Oirschot

(gemachtigden: mr. M. Stoof en [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van een bijgebouw en schuur op de percelen van respectievelijk verzoeker 1 en verzoeker 2. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen onder meer of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 heeft de burgemeester besloten een bijgebouw en schuur op het adres [adres] in [woonplaats] te sluiten voor de duur van zes maanden. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Op 14 oktober 2025 heeft de burgemeester laten weten dat hij nog niet tot sluiting overgaat, zo lang op dit verzoek om een voorlopige voorziening nog niet is beslist.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker 1 is eigenaar van een bijgebouw op perceel [adres]. Verzoeker 2 is de zoon van verzoeker 1 en is eigenaar van de woning en de aangebouwde schuur op datzelfde perceel.
4. De politie heeft op 21 augustus 2021 onderzoek gedaan op dit perceel
.In de schuur op het perceel heeft de politie vuilniszakken met steenwolblokken met hennepstengels aangetroffen. In het bijgebouw op het perceel heeft de politie een eerder geoogste hennepkwekerij, verdeeld over twee ruimtes, met 972 potten, aangetroffen. In het bijgebouw heeft de politie ook onder andere 128 jerrycans met groeimiddel aangetroffen. Volgens de politie betekent dit dat zeker acht eerdere oogsten hebben plaatsgevonden.
Spoedeisend belang?
5. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort. Dat staat in artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht, ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daarvoor is geregeld in artikel 8:81 van Pro de Awb. In dat artikel staat dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen als er bezwaar is gemaakt. Er moet dan sprake zijn van ‘onverwijlde spoed’ en de belangen die bij de zaak betrokken zijn, moeten het ook nodig maken dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen. Voor een uitzondering op de hoofdregel dat de uitkomst van de bezwaarprocedure moet worden afgewacht, moeten dus wel goede redenen aanwezig zijn. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op bezwaar). De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard. Als de rechtbank in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is zij daarom niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
5.1.
Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om de sluiting van het bijgebouw en de schuur op te schorten of de gevolgen van het bestreden besluit op te schorten, totdat de burgemeester een beslissing op het bezwaar van verzoekers heeft genomen. Het spoedeisende karakter van het verzoek ligt er volgens verzoekers in dat het bijgebouw vanwege de (psychische) gezondheidstoestand van verzoeker 1 moet worden omgebouwd tot mantelzorgwoning. Verzoeker 2 gebruikt de schuur daarnaast voor opslag en in de schuur is schimmelvorming, die hij graag zo snel mogelijk wil oplossen.
5.2.
De voorzieningenrechter vindt het spoedeisend belang in deze zaak twijfelachtig. Verzoekers hebben hun plannen voor het verbouwen van het bijgebouw tot mantelzorgwoning niet onderbouwd. De door verzoekers overgelegde aanvraag voor een schetsplan is op 23 oktober 2025 ingediend. Dat was ruim nadat de burgemeester het bestreden besluit heeft genomen. Verzoekers hebben geen andere documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij al langer met deze plannen bezig waren. Verzoekers hebben ook niet met documenten onderbouwd dat de verbouwing tot mantelzorgwoning op korte termijn noodzakelijk is. Door verzoekers is alleen een briefje van een huisarts overgelegd waarop staat dat een mantelzorgwoning is geïndiceerd. Dat briefje is opgesteld op 6 november 2025 en daarin is bovendien niets verder onderbouwd. Ook hebben verzoekers niet onderbouwd wat verzoeker 2 in de schuur opslaat, waarvoor hij niet tijdelijk een andere locatie kan vinden. Ten slotte stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekers de woning aan [adres] in [woonplaats] gedurende de sluiting van het bijgebouw en de schuur kunnen blijven gebruiken. Dit alles neemt de voorzieningenrechter dan ook mee bij de mate van indringendheid van het voorlopige rechtmatigheidsoordeel dat de voorzieningenrechter hierna over deze zaak geeft als onderdeel van de belangenafweging.
Bevoegdheid
6. Hoewel verzoekers het in hun bezwaarschrift betwisten, volgt uit de bestuurlijke rapportage voldoende dat het bijgebouw ingericht was als hennepkwekerij met 972 potten. Verzoekers hebben in hun verzoek en hun bezwaarschrift geen omstandigheden gesteld waaruit volgt dat geen sprake kan zijn geweest van eerdere oogsten of dat de materialen die aanwezig waren voor andere doeleinden gebruikt zouden zijn of kunnen worden. Omdat de politie in de schuur op hetzelfde perceel vuilniszakken met steenwolblokken met stengels van hennepplanten hebben aangetroffen, is voldoende aannemelijk gemaakt dat het bijgebouw is gebruikt als hennepkwekerij en dat de schuur daarmee functioneel was verbonden. De burgemeester was dus bevoegd om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.
Noodzaak en geschiktheid
7. Als de burgemeester bevoegd is om bestuursdwang toe te passen, moet wel worden beoordeeld of sluiting echt nodig is en of een minder ingrijpend middel niet beter passend is. Als het doel van de bestuursdwang ook met bijvoorbeeld een last onder dwangsom of een waarschuwing kan worden bereikt, dan moet daarvoor worden gekozen.
7.1.
Nu vaststaat dat in het bijgebouw een flinke hennepkwekerij zat waarbij sprake is geweest van meerdere oogsten, mocht de burgemeester ervan uitgaan dat het bijgebouw een schakel vormde in de productie van softdrugs. De burgemeester mocht de schuur ook beschouwen als functioneel met het bijgebouw (en dus de hennepkwekerij) verbonden, omdat in de schuur afval en plantenresten van de kwekerij zijn gevonden. Omdat het een pandgerichte maatregel is, maakt het niet uit dat sprake is van twee verschillende eigenaren. Het was daarom ook niet nodig om, zoals verzoekers hebben betoogd, twee aparte besluiten te nemen.
7.2.
De burgemeester mocht bij haar besluit ook betrekken dat iemand een MMA-melding heeft gedaan en dat de panden dus als hennepkwekerij bekend waren. Ook mocht de burgemeester de gevaarzetting van de illegale stroomaansluiting in haar besluit meewegen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er een noodzaak om het bijgebouw en de schuur te sluiten en hoefde de burgemeester niet met een minder ingrijpend middel te volstaan.
Evenwichtigheid
8. Als de conclusie is dat de burgemeester de beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel kan bereiken en een sluiting voor een bepaalde duur dus het aangewezen middel is, betekent dit nog niet dat hij hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet hij zich ervan vergewissen dat de sluiting in dit specifieke geval ook evenwichtig is.
9. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moet aan de ene kant worden gekeken naar de nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoners. En aan de andere kant naar de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Die houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk vindt. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Maar bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt, moet de burgemeester wel een zwaar gewicht toekennen aan die mogelijk zeer ingrijpende gevolgen voor de bewoners. Een woningsluiting kan immers een inmenging zijn in het recht dat wordt beschermd door artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de schuur en het bijgebouw evenwichtig is. Dat legt zij hieronder uit.
9.2.
In de eerste plaats is van belang dat de woning zelf open blijft, en dat verzoeker 1 dus van die woning gebruik kan (blijven) maken. Alleen de schuur en het bijgebouw worden gesloten. Verzoekers hebben betoogd dat verzoeker 1 niet in de woning woont en dat hij in een bedrijfsgebouw van verzoeker 2 in [plaats] verblijft, waar hij is verstoken van essentiële voorzieningen. De voorzieningenrechter vindt dat echter niet geloofwaardig, aangezien in de bestuurlijke rapportage staat dat op verschillende plekken in de woning aan de [adres] spullen van verzoeker 1 zijn aangetroffen, die erop duiden dat hij wel degelijk in die woning woont (o.a. foto’s, post, medicatie). Dat is tijdens de zitting ook niet meer door verzoekers weersproken.
9.3.
Verder vindt de voorzieningenrechter dat de omstandigheden die verzoekers aanvoeren over waarom zij gebruik willen blijven maken van de schuur en het bijgebouw, weinig tot geen gewicht in de schaal leggen. In de overwegingen over het spoedeisend belang (punt 5.2 van deze uitspraak) is al geoordeeld dat de verbouwingsplannen – en de noodzaak ervan – niet zijn onderbouwd. Schimmelvorming in de schuur is geen reden om de schuur open te houden, al helemaal niet omdat de schuur tijdens deze voorlopige voorzieningprocedure open is gebleven (de burgemeester heeft dat toegezegd, zie punt 2 van deze uitspraak) en verzoekers dus ruim de tijd en mogelijkheid hebben gehad om die schimmelvorming aan te pakken.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het besluit niet wordt geschorst en de burgemeester de schuur en het bijgebouw mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G.B.M Spapens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.