3.10.Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter een aantal vragen aan de burgemeester gesteld over de wettelijke grondslag van het bestreden besluit. Door de burgemeester is bevestigd dat het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 2.28, eerste lid en vierde lid, aanhef en onder b van de APV juncto artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b van de Alcoholwet, waarbij het gaat om de term ‘slecht levensgedrag’.
3.10.1.De term ‘slecht levensgedrag’ is volgens de burgemeester verduidelijkt in de Beleidsregel. Die Beleidsregel is echter pas later, na het bestreden besluit, vastgesteld en bekendgemaakt. In het verweerschrift en op de zitting is door de burgemeester toegelicht dat in de Beleidsregel een uniforme handelswijze is vastgelegd, en dat voorafgaand aan het vaststellen van de Beleidsregel conform die handelswijze (en dus conform de Beleidsregel) werd gehandeld. Volgens de burgemeester is ook het bestreden besluit volgens die handelswijze genomen. De voorzieningenrechter zal dan ook bij de beoordeling van het bestreden besluit uitgaan van wat er in de Beleidsregel staat.
3.10.2.De burgemeester heeft specifiek gewezen op de artikelen 2.1.2 en artikel 2.1.5 van de Beleidsregel. Die luiden als volgt:
“2.1.2. Kenbaarheid gedragingen
Hieronder volgt een niet-limitatieve opsomming van gedragingen die kunnen leiden tot een beoordeling van slecht levensgedrag:
•
geweldstoepassing;
•drugsfeiten (zowel gerelateerd aan de Opiumwet als gerelateerd aan regels omtrent onrechtmatig gebruik van of handel in geneesmiddelen of genotmiddelen);
•wapenbezit/-gebruik;
•overtredingen van helingverboden;
•overtredingen van de Wet op de Kansspelen;
•valsheid in geschrifte, zowel kennelijk gepleegd in de uitoefening van een horecabedrijf of inrichting dan wel ter verkrijging van een vergunning;
•gedragingen waaruit blijkt dat tijdens de exploitatie gevreesd moet worden dat aanwijzingen van politie of toezichthouders niet nageleefd zullen worden (bijv. negeren bevel ambtenaar in functie, belediging ambtenaar in functie);
•discriminatie;
•zedendelicten;
•mensenhandel, witwaspraktijken, sociale zekerheidsfraude, arbeidsuitbuiting en fraude met arbeids-gerelateerde subsidies;
•niet nakomen van fiscale verplichtingen op grond van Invorderingswet 1990 of de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
•gedragingen die hebben geleid tot opgelegde bestuurlijke of handhavingsmaatregelen met betrekking tot een openbare inrichting (hieronder wordt mede begrepen een coffeeshop) tenzij deze maatregelen op geen enkele wijze aan de te beoordelen persoon (in bestuursrechtelijke zin) zijn te verwijten;
•ordeverstoringen waarbij de te beoordelen persoon betrokken was.
2.1.5.Tijdsverloop gedragingen
In beginsel worden bij de beoordeling enkel gedragingen meegewogen die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het beoordelingsmoment, bijvoorbeeld tijdens de behandeling van een aanvraag van een vergunning, hebben plaatsgevonden. (...). Indien binnen deze periode van vijf jaar sprake is van relevante gedragingen, zoals bedoeld in 2.1 onder a,dan kunnen ook gedragingen die zich hebben voorgedaan buiten de vijfjaarperiode worden betrokken bij de beoordeling van het levensgedrag. Deze oudere gedragingen kunnen dan een duiding geven dan wel blijk geven van een patroon van gedragingen gedurende een langere periode. Indien er sprake is van een dergelijk patroon kunnen – zoals aangegeven in 2.1 onder a – ook andere gedragingen dan de daar benoemde categorieën duiding geven en een patroon ondersteunen. Indien er in de vijf jaar, voorafgaand aan het beoordelingsmoment, geen gedragingen zijn gebleken, dan wordt de betrokkene geacht te voldoen aan de eis omtrent het levensgedrag en wordt niet toegekomen aan een weging van eventueel oudere gedragingen.”
3.10.3.Uit bovenstaande artikelen blijkt dat er in de afgelopen vijf jaar (althans in de vijf jaren voorafgaand aan het beoordelingsmoment) sprake moet zijn geweest van een gedraging in de zin van de Beleidsregel, wil er een beoordeling kunnen plaatsvinden die kan leiden tot de conclusie dat sprake is van “slecht levensgedrag”. Als zo’n gedraging er in die vijf jaar niet is geweest, wordt aan de beoordeling van eventueel oudere gedragingen niet toegekomen en wordt aangenomen dat de betrokkene voldoet aan de eis omtrent het levensgedrag.
3.10.4.De voorzieningenrechter volgt de burgemeester niet in diens stelling dat in het bestreden besluit op juiste wijze toepassing is gegeven aan de Beleidsregel (dan wel de uniforme handelswijze). De burgemeester heeft namelijk niet goed onderbouwd dat bij [naam] in de genoemde termijn van vijf jaar sprake is geweest van een gedraging in de zin van de Beleidsregel, die kan leiden tot een beoordeling “slecht levensgedrag”.
3.10.5.De door de burgemeester in het verweerschrift opgenomen antecedentenlijst biedt hiervoor in elk geval geen aanknopingspunten. Uit die lijst volgt namelijk dat het laatste feit op naam van [naam] dateert van 16 april 2019. Dat is ruim zes jaar geleden en valt dus niet binnen de in artikel 2.1.5 van de Beleidsregel opgenomen termijn van vijf jaar voorafgaand aan het beoordelingsmoment waarbinnen een gedraging moet hebben plaatsgevonden. Dat feit is bovendien door het Openbaar Ministerie ook nog eens geseponeerd wegens onvoldoende bewijs.
3.10.6.De burgemeester heeft verder nog gewezen op een politieregistratie over een politie-inval op 24 september 2024. Uit de door de burgemeester in het verweerschrift en tijdens de zitting gegeven informatie over die politieregistratie maakt de voorzieningenrechter op dat [naam] volgens de burgemeester op die datum op een plek was waar illegaal werd gegokt en dat hij een groot contant geldbedrag (€ 10.000,–) bij zich had. In het verweerschrift heeft de burgemeester beschreven dat de aanleiding voor het binnentreden mede was dat er vuurwapenbezit werd gemeld. Er bleken echter geen vuurwapens te zijn. Volgens de burgemeester volgt uit deze politieregistratie dat [naam] op 24 september 2024 een gedraging in de zin van artikel 2.1.2 van de Beleidsregel heeft verricht.
3.10.7.[naam] heeft hierover op de zitting verteld dat hij op die bewuste plek was, omdat hij naar een vriendin toe ging die daar aanwezig was, toevallig net op het moment dat de politie daar een inval deed. Volgens [naam] kan hij met WhatsAppberichten aantonen dat hij er enkel op uitnodiging van de vriendin aanwezig was, en heeft hij zelf niet deelgenomen aan de gokactiviteiten. Hij heeft, zo stelt hij, niets te maken met de mensen die de gokactiviteiten organiseren en het geld dat hij bij zich droeg, bestond uit dagopbrengsten uit het restaurant. Ter onderbouwing daarvan heeft hij stukken overgelegd, waaruit blijkt dat hij kasstortingen doet om de dagopbrengsten op de bankrekening te zetten. Naar aanleiding van zijn aanwezigheid heeft de politie hem niet als verdachte aangemerkt en is zij geen onderzoek naar hem gestart. Hij heeft over het hele incident niets van de politie gehoord, zo stelt hij.
3.10.8.De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de politieregistratie van 24 september 2025 niet kan worden aangemerkt als een gedraging in de zin van artikel 2.1.2 van de Beleidsregel. In het verweerschrift wordt gewag gemaakt van vuurwapenbezit, maar er waren geen vuurwapens aanwezig. Dat laatste werd pas tijdens de zitting door de burgemeester vermeld. Wat er dan overblijft, is dat [naam] op een plek aanwezig was waar – kennelijk – illegale gokactiviteiten werden georganiseerd, en dat hij een groot geldbedrag bij zich had. Dat is allemaal erg dun, zeker gezien de gemotiveerde weerspreking van [naam] , waartegenover de burgemeester niets heeft gesteld. De voorzieningenrechter zegt hiermee niet dat vaststaat dat er niets aan de hand is geweest, maar wel dat áls er iets aan de hand is geweest, dit op dit moment onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd is door de burgemeester en dat wat er nu ligt, in elk geval niet kan dienen ter ondersteuning van de stelling dat er in de afgelopen vijf jaar sprake is geweest van een gedraging die kan leiden tot een beoordeling “slecht levensgedrag” in de zin van de Beleidsregel.
3.10.9.De burgemeester heeft dus niet goed gemotiveerd dat er sprake is van een gedraging die, kort gezegd, de deur openzet naar een beoordeling van feiten en gedragingen die langer dan vijf jaar zijn geleden. Dat betekent dat [naam] volgens de Beleidsregel moet worden geacht te voldoen aan de eis omtrent levensgedrag.
3.10.10.Dat betekent dat de voorzieningenrechter twijfels heeft of het bestreden besluit wel rechtmatig is.