ECLI:NL:RBOBR:2025:7610

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
WR 25/034
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid in ondertoezichtstelling

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken is bij zijn zaak over verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kinderen. Hij verwijt de rechter onzorgvuldigheid, schijn van niet-objectiviteit en het terzijde schuiven van zijn bewijzen, gebaseerd op eerdere beslissingen in dezelfde procedure.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 Rv Pro, waarbij onpartijdigheid van de rechter wordt vermoed en alleen bij bijzondere omstandigheden wraking kan worden toegewezen. Nieuwe wrakingsgronden die na het verzoek werden ingebracht, zijn buiten beschouwing gelaten.

De kamer oordeelt dat het enkele feit dat de rechter eerder een onwelgevallige beslissing nam, geen bewijs is van vooringenomenheid. De inhoudelijke juistheid van eerdere beslissingen kan niet in een wrakingsprocedure worden beoordeeld. Er is geen zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid of vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.

De beslissing is in openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant op 19 november 2025. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25/034
Beslissing van 19 november 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van:
mr. G. Aarts,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van 7 november 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 10 november 2025;
  • de e-mail van verzoeker van 11 november 2025
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 13 november 2025.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • verzoeker;
  • de rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/01/420049 / JE RK 25-1398, waarbij verzoeker als vader belanghebbende is. Specifiek gaat de zaak over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen van verzoeker.
2.2
Verzoeker heeft, blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek en zijn toelichting bij de mondelinge behandeling, in de kern het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker verwijt de rechter:
1. overduidelijke onzorgvuldigheid bij eerdere beslissingen;
2. de schijn van niet-objectiviteit;
3. het terzijde schuiven van bewijzen van verzoeker waarbij de kinderrechter de GI blind
gelooft of heeft geloofd.
Bij de mondelinge behandeling heeft verzoeker desgevraagd aangegeven dat deze verwijten alle zijn terug te voeren op de behandeling en beoordeling van het verzoek – door dezelfde rechter – voorafgaand aan de procedure die nu gevoerd wordt.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2
Bij de beoordeling van het verzoek laat de wrakingskamer verzoekers e-mail van 11 november 2025 buiten beschouwing voor zover hij daarmee nieuwe wrakingsgronden heeft aangevoerd. Zoals ook bij de mondelinge behandeling is besproken, moeten de gronden voor de wraking meteen bij het wrakingsverzoek worden gegeven. Er kunnen niet later nog nieuwe gronden aan het verzoek worden toegevoegd.
3.3
Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat zij volgens hem eerder een onzorgvuldige en onjuiste beslissing heeft genomen. Het enkele gegeven dat een rechter eerder, in een andere procedure, een beslissing heeft genomen in het nadeel van verzoeker, betekent echter niet dat die rechter jegens hem vooringenomen is of dat vrees daarvoor objectief is gerechtvaardigd. Het is duidelijk dat verzoeker ook meent dat deze beslissing onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De wrakingskamer komt echter geen oordeel toe over de juistheid van een inhoudelijk oordeel of de totstandkoming ervan. Dat geldt eens te meer omdat het een oordeel in een andere procedure was, ook al was dat een procedure waarbij dezelfde partijen betrokken waren als in de huidige procedure. Zo’n inhoudelijk oordeel is voorbehouden aan de rechter die in een eventueel hoger beroep belast is met de behandeling van de zaak (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dat is alleen anders wanneer de gewraakte beslissing een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft genomen. De wrakingskamer is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, mr. F.H.E. Boerma en
mr. V.R. de Meyere, leden, in tegenwoordigheid van de griffier, en in openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.