ECLI:NL:RBOBR:2025:7680

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
21/3194 en 21/3339
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verlening omgevingsvergunning voor verandering inrichting veevoederbedrijf

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant op 24 november 2025, worden de beroepen van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor de verandering van haar inrichting behandeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat er gebreken kleven aan de oorspronkelijke vergunning, wat leidde tot een tweede zitting ter plaatse. Tijdens deze zitting zijn mogelijke wijzigingen in de vergunning en de vergunningsvoorschriften besproken. De rechtbank heeft uiteindelijk besloten de vergunning te wijzigen op basis van de reacties van partijen. De zaak betreft de uitbreiding van de productiecapaciteit van een veevoederbedrijf, waarbij eisers zich zorgen maken over geluidsoverlast, luchtkwaliteit en de gevolgen voor de omliggende natuur. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eisers beoordeeld en vastgesteld dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant niet voldoende heeft onderbouwd dat de vergunning in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten onder wijziging van en aanvulling met nieuwe voorschriften. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een duidelijke inrichtingstekening en de verplichting om aan geluidsvoorschriften te voldoen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 21/3194 en SHE 21/3339

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2025 in de zaken tussen

[eisers 1]uit [woonplaats] , eisers 1
[eiser 2]uit [woonplaats] , eiser 2
gezamenlijk te noemen: eisers,
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant(het college)
(gemachtigden: ir. [naam] , [naam] en ing. [naam] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam] B.V., uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor de verandering van haar inrichting aan de [adres] in [woonplaats] . De rechtbank heeft op basis van de eerste zitting en op basis van een verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) vastgesteld dat er gebreken kleven aan de oorspronkelijke vergunning. Daarom heeft de rechtbank een tweede zitting ter plaatse gehouden en met partijen mogelijke wijzigingen in de vergunning en de vergunningsvoorschriften besproken. In deze uitspraak zal de rechtbank de vergunning zelf wijzigen op basis van de reacties van partijen.
1.1
Hierna wordt eerst het procesverloop geschetst en wordt een overzicht gegeven van de feiten waarvan de rechtbank uitgaat. Daarna worden de argumenten van eisers mede op basis van het verslag van de StAB en de daarop gegeven reacties besproken. Daarna komen de wijzigingen in de vergunning.

Procesverloop

2. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 3 november 2021 verleend.
2.1
Eisers hebben hiertegen beroep ingediend. Het beroep van eisers 1 is geregistreerd onder zaaksnummer SHE 21/3194 en het beroep van eiser 2 onder zaaksnummer SHE 21/3339.
2.2
De rechtbank heeft de beroepen op 4 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers [naam] , de gemachtigden van het college en namens vergunninghoudster [naam] en [naam] .
2.3
Op 14 oktober 2022 heeft de rechtbank de StAB als deskundige benoemd om een onderzoek in te stellen. De StAB heeft op 16 februari 2023 verslag uitgebracht. Het college heeft hierop gereageerd. Ook vergunninghoudster heeft hierop gereageerd.
2.4
De rechtbank heeft in de reacties aanleiding gezien om een tweede zitting ter plaatse te houden op 21 mei 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eisers [naam] , de gemachtigden van het college en namens vergunninghoudster [naam] en [naam] . De rechtbank heeft partijen op 13 augustus 2025 een reeks conceptvoorschriften voorgelegd. Partijen hebben hierop gereageerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- Vergunninghoudster exploiteert een veevoederbedrijf (de inrichting) op het perceel [adres] in [woonplaats] . De inrichting omvat een IPPC-installatie als bedoeld in Bijlage I categorie 6.4.b van de Richtlijn industriële emissies [1] .
  • Voor de gronden die in gebruik zijn bij de diervoederfabriek geldt het bestemmingsplan “Partiële herziening Gemert-Bakel Stedelijke gebieden”. Hierin heeft het perceel waarop het bedrijf wordt geëxploiteerd de bestemming
  • Eisers wonen in de directe nabijheid van de inrichting.
  • Voor de inrichting zijn in het verleden meerdere milieu- en omgevingsvergunningen verleend en meldingen geaccepteerd. De voor deze zaken belangrijkste zijn een op
  • Op 14 juli 2017 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning bij het college ingediend voor - kort gezegd - de uitbreiding van de productiecapaciteit van diervoeders in haar bedrijf voor de activiteit “milieu” (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo). Vergunninghoudster heeft de aanvraag in de periode tot en met juli 2021 aangevuld met verschillende onderzoeksrapporten, documenten en plattegronden. De aanvraag heeft betrekking op de uitbreiding van de productiecapaciteit van diervoeders van 275.000 ton per jaar naar 375.000 ton per jaar (geperste en meelproducten), die wordt gerealiseerd door een uitbreiding van de bestaande maal- en menglijn en optimalisatie van perslijnen.
  • Met ingang van 11 augustus 2021 heeft het ontwerpbesluit tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben hiertegen zienswijzen ingediend.

Beoordeling beroepsgronden

4. De rechtbank stelt voorop dat per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden. Omdat de aanvraag voor het bestreden besluit is ingediend vóór 1 januari 2024 blijft op basis van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet het voor die datum geldende recht van toepassing. De rechtbank wijst erop dat het bedrijf onder het nieuwe recht een omgevingsvergunning nodig heeft voor een milieubelastende activiteit gelet op artikel 3.128, eerste lid, onder a, en artikel 3.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Procedurele beroepsgronden.
5. Beide eisers klagen over de bekendmaking van het bestreden besluit. Eisers wijzen erop dat zij wel zienswijzen hebben ingediend, maar ten onrechte niet op de hoogte zijn gesteld van het bestreden besluit. Zij hadden bovendien prijs gesteld op meer overleg tussen het bedrijf en de omgeving. Er heeft echter geen omgevingsdialoog plaatsgevonden en het college is niet ingegaan op de door hen ingediende zienswijzen.
5.1
Het college meent dat wel mededeling is gedaan aan eisers van het bestreden besluit. Uit het administratiesysteem en de bevestigingsbrief blijkt dat de mededeling tijdig is verzonden. In het bestreden besluit wordt ingegaan op de zienswijzen.
5.2
De rechtbank stelt vast dat eisers beiden tijdig beroep hebben ingesteld. Voor zover eisers stellen dat het bestreden besluit ten onrechte niet aan hen is toegezonden, wat hier verder ook van zij, is dit geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Dit zou namelijk een onregelmatigheid zijn van na het bestreden besluit en dat kan de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten. In het bestreden besluit wordt overigens ingegaan op de zienswijzen van eisers. Eisers zijn in zoverre hoe dan ook niet in hun belangen geschaad. De juistheid van de weerlegging van deze zienswijzen komt hierna aan de orde bij de inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden. Het college heeft geen aanleiding hoeven zien om het bedrijf te verplichten om voorafgaand aan de aanvraag in overleg te treden met omwonenden. Hoewel participatie kan bijdragen aan een goede verstandhouding, was het in dit geval niet verplicht.
Planologische situatie van het bedrijf.
6. Eisers vragen zich af of het bedrijf na de uitbreiding van productiecapaciteit tot 390.000 ton aan diervoeders nog wel in dezelfde milieucategorie 4 valt van de VNG-brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ (de VNG-brochure).
6.1
Het college stelt dat het een besluit heeft genomen op wat vergunninghoudster heeft aangevraagd. Dat is een wijziging van de inrichting met een uitbreiding van de productiecapaciteit van diervoeders van 275.000 ton per jaar naar 390.000 ton per jaar door een uitbreiding van het aantal werkbare uren met de bestaande installaties, maal- en menglijn en optimalisatie van perslijnen. Er is geen sprake van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het onderdeel “bouwen”, dus het college heeft niet getoetst of wordt gehandeld in strijd met het bestemmingsplan. De wenselijkheid van de inrichting op deze plaats wordt volgens het college in het bestemmingsplan bepaald.
6.2
De StAB heeft opgemerkt dat bedrijven met een capaciteit van 100 ton diervoeders per uur of minder in de VNG-brochure vallen in milieucategorie 4.1. Het bedrijf heeft een vergunde capaciteit van 390.000 ton per jaar. Bij een volcontinu bedrijfsproces komt dit overeen met 45 ton per uur. Dan is sprake van een categorie 4-bedrijf.
6.3
Gelet op het StAB-advies is de rechtbank van oordeel dat het bedrijf ondanks de vergunde toename in productiecapaciteit past binnen de geldende bestemming. Er was in zoverre geen noodzaak om op grond van artikel 2.7 van de Wabo ook een omgevingsvergunning voor het onderdeel “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) aan te vragen.
7.1
Eisers vermoeden dat vergunninghoudster haar bedrijf illegaal heeft uitgebreid. Zij wijzen er ook op dat werknemers van het bedrijf in omliggende woningen wonen en dat de bij deze woningen behorende gronden in gebruik zijn bij het bedrijf zelf. Door de illegale uitbreiding is het bedrijf gaan grenzen aan de naastgelegen percelen van eisers.
7.2
Het college heeft in het bestreden besluit geen toetsing aan het bestemmingsplan gedaan. Desgevraagd heeft het college ter zitting aangegeven dat de inrichtingsgrens op een bijlage bij de aanvraag staat. Daar staat ook een wadi op.
7.3
De rechtbank heeft tijdens de eerste zitting vastgesteld dat onvoldoende duidelijk is geworden of de inrichting wordt geëxploiteerd binnen de gronden die in het bestemmingsplan een bedrijfsbestemming hebben of dat er ook activiteiten buiten de gronden met een bedrijfsbestemming plaatsvinden. Verder is onduidelijk wat voor planologisch regime geldt ter hoogte van de wadi en ten westen van de woningen. Mede met het oog daarop is de StAB ingeschakeld.
7.4
De StAB heeft in afbeelding 2.2. van haar verslag de eigendommen van vergunninghoudster aangeduid. De StAB heeft géén inrichtingstekening bij de aanvraag aangetroffen. Het college heeft wel een kaart getoond met daarop een ingetekende lijn die als inrichtingsgrens kan worden beschouwd en die overeenkomt met de grens van de bestemming “Bedrijf B” in het bestemmingsplan “Partiële herziening Gemert Bakel Stedelijke Gebieden”. De StAB heeft ook de feitelijke activiteiten van het bedrijf in kaart gebracht. De StAB wijst op de aanwezigheid van een verhard parkeerterrein aan de noordzijde van het terrein. Ten noorden daarvan ligt een wadi. De getoonde tekening stemt niet overeen met de feitelijke situatie. De verharding en de wadi liggen feitelijk deels buiten de inrichtingsgrens als aangeduid op de tekening. De StAB heeft verder vastgesteld dat op een deel van de gronden die het bedrijf van vergunninghoudster in gebruik heeft, ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Partiële herziening Gemert Bakel Stedelijke Gebieden” van toepassing was. Hierbij is grotendeels de bestemming “Bedrijf B” toegekend op grond waarvan, zoals hiervoor al is aangegeven, een bedrijf in categorie 4 en een veevoederbedrijf ter plekke mogen worden uitgeoefend. De gronden ten noordwesten van deze bestemming hebben de bestemming “Bos”. De gronden ten noorden van deze bestemming (waar zich onder meer de verharding en de wadi bevinden) liggen in het bestemmingsplan “Gemert-Bakel Buitengebied 2017” en hebben de bestemming “Natuur” met de functieaanduiding “Bos”. Op grond hiervan is het ter plaatse van deze gronden onder meer verboden om gronden af te graven, bomen te kappen of zonder vergunning verhardingen aan te brengen.
7.5
Het college merkt in reactie op het StAB-advies op dat niet de feitelijke situatie maar de aanvraag bepalend is. Het is de verantwoordelijkheid van vergunninghoudster om te zorgen dat de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden binnen de grenzen van de inrichting. Het college acht de modellering niet onlogisch.
7.6
Vergunninghoudster heeft mede in reactie op het advies van de StAB een andere situatietekening overgelegd. Hierop is het parkeerterrein aan de noordzijde verwijderd. Het bestemmingsvlak “Bos” aan de noordwestzijde van het terrein is aangeduid als “Bestemmingsvlak bos omzetten naar bedrijf”. Vergunninghoudster heeft aangegeven dat de feitelijke situatie van het bedrijf daarmee in overeenstemming is gebracht met deze tekening.
7.7
De rechtbank stelt op basis van het StAB-advies vast dat de vermoedelijke inrichtingstekening evident niet overeenstemt met de feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit. In de feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit werden personenauto’s geparkeerd op een verharding buiten de grens van de inrichting. Dat is ook zichtbaar op luchtfoto’s. De door de StAB beschreven feitelijke situatie wijkt ook af van het planologisch toegelaten gebruik. De parkeerplaats aan de noordzijde mag niet zonder vergunning worden aangelegd en mag niet worden gebruikt ten behoeve van het bedrijf. De wadi’s hadden niet mogen worden afgegraven. Als vergunninghoudster een aanvraag indient die evident afwijkt van de feitelijke situatie ligt het op de weg van het college om aan vergunninghoudster een duidelijke verklaring te vragen voor de verschillen tussen de ingediende inrichtingstekening en de feitelijke situatie of een gewijzigde duidelijke inrichtingstekening in te dienen. Het is niet in het belang van omwonenden noch in het algemeen belang om een inrichting te vergunning die op papier klopt maar in werkelijkheid anders in werking is met mogelijk meer milieuoverlast tot gevolg.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het college zich in dit geval dan ook niet beroepen op de aanvraag van vergunninghoudster en stellen dat het een kwestie is van handhaving. De onduidelijke situatie aan de noordzijde van de inrichting ten tijde van het bestreden besluit had voor het college aanleiding moeten zijn om ofwel de aanvraag buiten behandeling te laten op basis van artikel 2.7 van de Wabo, ofwel vergunninghoudster in de gelegenheid te stellen de aanvraag te verduidelijken of te wijzigen zodat uit het bestreden besluit duidelijk volgt dat niet wordt gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het college heeft nu een onduidelijke situatie vergund en handelt hiermee in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het bestreden besluit een revisievergunning is, oftewel een vergunning die, als zij onherroepelijk wordt, ertoe leidt dat eerdere vergunningen die op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo zijn verleend, van rechtswege vervallen en daarmee als uitgangspunt zal gaan dienen voor het bedrijf in de toekomst. Deze gebreken vormen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.
7.1
De rechtbank heeft dit met partijen besproken op de tweede zitting. Tijdens de tweede zitting heeft de rechtbank ter plaatse vastgesteld dat het parkeerterrein aan de noordzijde is verwijderd en dat het bestemmingsvlak “Bos” aan de noordwestzijde van het terrein is omheind. In de brief van de rechtbank naar aanleiding van de tweede zitting heeft de rechtbank het college verzocht haar een aangepaste inrichtingstekening toe te zenden, waarbij de verwijderde parkeerplaats/verharding en het bestemmingsvlak “Bos omzetten naar bedrijf” geen onderdeel uitmaken van de inrichting. Dat heeft het college gedaan. De begrenzing van de inrichting op deze tekening komt overeen met de reactie van vergunninghoudster op de brief van de rechtbank naar aanleiding van de tweede zitting. Een afdruk van deze aangepaste inrichtingstekening is als bijlage 2 aan deze uitspraak gehecht. De rechtbank stelt vast dat de grens van de inrichting volgens deze inrichtingstekening wel ligt binnen de bestemming “Bedrijf B” ligt. Dan is er geen sprake van strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en ook geen strijd met artikel 2.7 van de Wabo. Dit vormt voor de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten, waarbij wordt bepaald dat de inrichtingstekening als aangeduid in bijlage 2 bij de uitspraak deel uitmaakt van het besluit (en de voorgaande tekeningen dus niet).
7.11
Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat in de Omgevingswet het begrip “inrichting” niet meer bestaat. Het veranderen (uitbreiden) van de grens van de inrichting is daarmee niet langer automatisch vergunningplichtig zoals onder de Wabo het geval was. In dit geval is dat geen probleem, omdat de aangegeven grens van de inrichting samenvalt met de bestemming “Bedrijf B”. Het verrichten van milieubelastende activiteiten waaronder op basis van artikel 3.128, tweede lid, van het Bal activiteiten die de hoofdactiviteit functioneel ondersteunen (zoals bijvoorbeeld het parkeren van auto’s van werknemers) buiten deze bestemming is in strijd met het Omgevingsplan.
Geluidhinder
8. Eisers ervaren reeds een forse geluidsoverlast van het bedrijf, met name piekgeluiden veroorzaakt door activiteiten buiten de gebouwen in de avond- en nachtperiode. Zij vrezen nu ook geluidsoverlast in het weekend. Zij klagen erover dat aan het bestreden besluit verouderde geluidsrapportages uit 2017 ten grondslag liggen die gebaseerd zijn op geluidmetingen uit 2014, terwijl in 2017 de vergunde uitbreiding nog niet had plaatsgevonden. Alleen eigen woningen van vergunninghoudster zijn meegenomen in het onderzoek en de onderzoeken geven geen representatief beeld van de werkelijkheid.
8.1
Het college wijst erop dat het bestreden besluit niet alleen is gebaseerd op het geluidsrapport uit 2017, maar ook op een op 12 april 2021 aan de aanvraag toegevoegde notitie van bureau Peutz van 6 april 2021, mede omdat uit het onderzoek uit 2017 bleek dat de richtwaarden in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (de Handreiking) werden overschreden. Op basis van het nadere onderzoek van 2021 in opdracht van vergunninghoudster en een eigen onderzoek naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid bij woningen van derden [2] is het bestreden besluit genomen. Het college beseft dat op één locatie de richtwaarden van de Handreiking worden overschreden, maar de kosten om maatregelen te treffen bij meerdere bronnen om aan de richtwaarden te voldoen heeft het college als onevenredig beoordeeld. Het college neemt hierbij in aanmerking dat de geluidbelasting in de aangevraagde situatie lager is dan in de vorige vergunning.
8.3
De StAB stelt vast dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de nachtperiode op één woning hoger ligt dan de richtwaarde van de Handreiking en op deze woning ook hoger ligt dan de waarde van het gemeentelijk geluidsbeleid (als de toeslag vanwege de ligging bij een drukke weg in dit beleid niet wordt toegepast). De gemeente heeft een eigen geluidbeleid, maar dat heeft het college in het bestreden besluit niet als kader gehanteerd. De StAB merkt op dat in het akoestische onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit, een andere inrichtingsgrens lijkt te zijn gehanteerd, die weer strakker is dan de inrichtingsgrens op de aan de StAB getoonde kaart. De StAB plaatst verder kritische kanttekeningen bij de modellering van de geluidbronnen. Zo zijn rijbewegingen van vrachtwagens als puntbron gemodelleerd. De ruimte binnen de bestemming “Bedrijf B” wijkt af van de in het model gehanteerde grens van de inrichting. Er is geen belijning of wegwijzing die het manoeuvreren van vrachtwagens stuurt of beperkt en in principe kan een vrachtwagen dus het gehele verharde terrein gebruiken. Dit gebeurt ook in de praktijk, want dat heeft de StAB waargenomen bij het locatiebezoek. De puntbron had in dat geval dichter bij de woningen van eisers moeten worden gemodelleerd, hetgeen zou leiden tot een hogere geluidsbelasting bij deze woningen. De gemodelleerde rijroutes van de vrachtwagens (dicht langs het bedrijfsgebouw) komen volgens de StAB niet overeen met de praktijk en zijn niet representatief. De aanvraag bevat onvoldoende informatie zodat de StAB niet kan bepalen waar de geluidbron dan wel had moeten worden geplaatst. Als de geluidbron zou worden geplaatst op basis van de door de StAB waargenomen feitelijke situatie zou dit leiden tot een hogere berekende geluidsbelasting bij de woningen van eisers. Overigens werden de personenauto’s van werknemers nu verder weg geparkeerd dan in het model is aangenomen. De StAB concludeert dat de uitgangspunten van het akoestische model leiden tot zowel een onderschatting als een overschatting van de geluidsbelasting op de woning van eisers. Het is niet uit te sluiten dat het geluidniveau op de woning van eisers is onderschat. Het bestreden besluit maakt een toename van de geluidbelasting op zondag mogelijk.
8.4
De rechtbank is van oordeel dat het college de doel(geluid)voorschriften die in paragraaf 5.2 van het bestreden besluit zijn opgenomen aan dit besluit heeft kunnen verbinden. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom een overschrijding van de richtwaarden bij één geluidgevoelig object aanvaardbaar wordt geacht. De rechtbank stelt daarbij wel vast dat hierbij de maatregelen in het aanvullende akoestische rapport zijn betrokken. Gelet op het advies van de StAB stelt de rechtbank vast dat het akoestisch onderzoek uitgaat van een onduidelijke representatieve bedrijfssituatie die niet geheel aansluit bij de feitelijke bedrijfsvoering. Daarom had het college het akoestisch onderzoek niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Verder bevat de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie geen harde uitgangspunten of concrete beschrijvingen op grond waarvan het college handhavend kan optreden. Zo gaat het soms over ‘gemiddelde tijden’, ‘voorkomende situaties’ en een ‘gewenste’ ontsluiting aan de [adres]. Evenmin is de representatieve bedrijfssituatie voldoende geborgd in de specifieke geluidvoorschriften in paragraaf 5.3 van het bestreden besluit. Dit zal beter moeten gebeuren. Het bestreden besluit is op dit onderdeel in strijd met artikel 2.14 en 2.22 van de Wabo en artikel 3:2 van de Awb.
8.5
Partijen hadden tijdens de procedure al diverse malen overleg met elkaar gehad over een reeks van middelvoorschriften om de geluidsoverlast te voorkomen. Tijdens de tweede zitting van 21 mei 2025 op het terrein van vergunninghoudster hebben partijen uitgebreid met elkaar gesproken onder begeleiding van de rechtbank. Naar aanleiding van deze zitting heeft de rechtbank een aantal conceptvoorschriften voorgelegd aan partijen die hierop hebben gereageerd. De reacties hebben geresulteerd in de voorschriften die in de conclusie en de beslissing in deze uitspraak zijn opgenomen.
8.6
Partijen verschillen nog van mening over de vraag of voorschriften 5.3.6 en 5.3.8 voldoende waarborgen bevatten om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken en of vergunninghoudster bij machte is om vrachtwagens met een hoorbare achteruitrijsignalering te verbieden. De rechtbank merkt op dat voorschrift 5.3.6 ruimer is dan voorschrift 5.3.8. Voorschrift 5.3.6 gaat over alle mechanische signalen, dus ook de signalen die moeten worden gegeven om de veiligheid van werknemers te waarborgen. Daarom beperkt de rechtbank voorschrift 5.3.6 alleen tot de nachtperiode. Voorschrift 5.3.8 gaat over het verbieden van een hoorbare achteruitrijsignalering bij vrachtwagens. Dit voorschrift ziet ook op vrachtwagens die alleen in de dagperiode worden gebruikt. De rechtbank ziet geen aanleiding om het voorschrift aan te passen. Vergunninghoudster heeft zelf aangegeven dat haar vaste transporteurs geen vaste achteruitrijsignalering gebruiken. Zij sluit overeenkomsten met haar transporteurs en kan hierin bepalingen opnemen over achteruitrijsignalering. Dit is alleen anders indien het gebruik van achteruitrijsignalering wettelijk verplicht wordt en er geen alternatieven zijn. In dat geval is sprake van een overmachtssituatie. Overigens is de rechtbank in andere zaken gebleken dat een dergelijk voorschrift niet ongebruikelijk is.
8.7
Eisers willen in aanvulling op het verplichten van een maatregel een algemeen verbod om bij innamepunt IP-3 en IP-4 te ontluchten en te hameren, omdat dit ook al staat in de instructies van vergunninghoudster aan haar afnemers. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een dergelijk algemeen verbod omdat vergunninghoudster al voldoende doet om de geluidsoverlast bij deze innamepunten te beperken. Bovendien is er ook een voorschrift over het geven van instructies (1.3.3). Als de instructies onvoldoende worden nageleefd, zal dit kunnen resulteren in een overschrijding van de doelvoorschriften in voorschrift 5.2.2 van het bestreden besluit.
8.8
Voor alle duidelijkheid merkt de rechtbank op dat voorschrift 5.3.11 betekent dat de geluidwal naast de weegbrug een verplichte voorziening wordt, evenals de in het rapport opgenomen geluidsreducerende voorzieningen. De rechtbank kiest ervoor om voorschrift 5.3.9 zo te formuleren dat het ook mogelijk wordt om een geluidwal aan te brengen en een scherm ten noorden van de inrichtingsgrens met goedkeuring van het bevoegd gezag. Dit is dan wel een nieuw besluit nodig is waarop dan de Omgevingswet van toepassing is. Hiernaast is mogelijk een besluit noodzakelijk als wordt afgeweken van het Omgevingsplan.
Overige beroepsgronden
9. Beide eisers maken zich zorgen over de gevolgen van het bedrijf voor de omliggende natuur. Doordat het terrein voortdurend is verlicht vrezen zij een verstoring van de fauna in het gebied. In de aanvraag wordt geen aandacht besteed aan de geluids- en lichtoverlast die de uitbreiding op de omgevende natuur - waar zich uilen, roofvogels en andere dieren schuilhouden – met zich brengt bij werkzaamheden gedurende de nacht.
9.1
Het college heeft in het bestreden besluit de gevolgen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden beoordeeld en aangegeven dat die er niet zijn. In het bestreden besluit heeft het college ook aangegeven dat het, gelet op de aard en omvang van het bedrijf, er niet vanuit gaat dat de inrichting verstorend is voor vogels of andere dieren. In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat de dieren in het omliggende bos beschermd zijn.
9.2
De StAB heeft vastgesteld dat er geen onderzoek is verricht naar aanwezige soorten in de omgeving. Tegelijkertijd hebben eisers ook niet aangetoond of en zo ja, welke beschermde soorten zich in de omgeving bevinden die gevoelig zouden zijn voor geluid en licht.
9.3
De rechtbank ziet in deze beroepsgrond van eisers geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het had op de weg van eisers gelegen om meer concreet te onderbouwen welke beschermde diersoorten volgens hen aanwezig zijn.
10. Eisers vrezen de gevolgen van het bedrijf voor de luchtkwaliteit.
10.1
Bij de aanvraag bevindt zich een onderzoeksrapport “Onderzoek luchtkwaliteit aanvraag revisievergunning” (luchtrapport). Hierin wordt berekend dat de fijnstofemissies van het bedrijf niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit en dat wordt voldaan aan de grenswaarden. Dit heeft het college ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.
10.2
Eisers hebben niet aangegeven of onderbouwd dat het luchtrapport onjuiste uitgangspunten bevat. De rechtbank ziet in deze beroepsgrond van eisers geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
11. Eisers vrezen een toename van de geurbelasting door de vergroting van de productiecapaciteit. Deze zou volgens hen niet zijn beoordeeld.
11.1
Het college heeft aangegeven de geurbelasting wel te hebben beoordeeld op basis van het onderzoek “ [naam] ”. In voorschrift 6.2.3 van het bestreden besluit is geregeld dat de geuremissie en -immissie moet overeenstemmen met de uitgangspunten van dit rapport.
11.2
De StAB merkt op dat de bouw van de schoorsteen op grond van de vergunning uit 2017 heeft geleid tot een aanzienlijke geurreductie. De met het bestreden besluit vergunde situatie zal leiden tot een zeer geringe toename van de geurimmissies die nauwelijks waarneembaar zal zijn en waarschijnlijk niet zal leiden tot een toename van de beleving van geurhinder.
11.3
De rechtbank is van oordeel dat het college in de vrees van eisers geen aanleiding heeft hoeven zien om meer en verdergaande maatregelen ter beperking van geurhinder te verlangen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand onder aanvulling en wijziging van dit besluit met de volgende voorschriften.
5.3.4
In de nachtperiode, van 23:00 uur tot 06:00 uur, moet poort 1 (aan de [adres] ) gesloten zijn en blijven. Tussen 06:00 uur en 07:00 uur mag poort 1 open ten behoeve van het parkeren van vrachtwagens ten oosten van de rode aanduiding op het verharde terrein van de inrichting.
5.3.5
In de nachtperiode mogen van 23:00 uur tot 07:00 uur geen geluidemitterende activiteiten worden verricht binnen het rood omlijnde verharde terrein van de inrichting. Hieronder vallen in ieder geval het gebruik van de weegbrug, de tankplaats en ieder gebruik van vracht- of personenwagens.
5.3.6
In de nachtperiode mogen van 23:00 uur tot 07:00 uur geen mechanische signalen worden gebruikt of gegeven (zoals claxons of rijsignalen) op het terrein van de inrichting.
5.3.7
In de nachtperiode is het terrein van de inrichting, van 23:00 uur tot 07:00 uur, uitsluitend toegankelijk via de poort aan de [adres] , waarbij maximaal twee vrachtwagens grondstoffen mogen aanvoeren tussen 06:00 en 07:00 uur en de resterende vrachtenwagens in één beweging moeten parkeren aan de westzijde van het bedrijfsgebouw. Na 23:00 uur mogen geen voertuigbewegingen plaatsvinden ten noorden van de noordgevel van het bedrijfsgebouw met uitzondering van twee vrachtwagens die tot 24:00 uur mogen rijden ten westen van het rood aangeduide verharde terrein van de inrichting.
5.3.8
Er mag binnen de inrichting geen gebruik worden gemaakt van transportmiddelen met een hoorbare achteruitrijsignalering tenzij dit gebruik in de toekomst wettelijk verplicht is en er geen alternatieven zijn.
5.3.9
Vergunninghoudster moet een minimaal 3 meter hoog geluidscherm plaatsen aan de noordzijde en oostzijde (tot de zuidgrens van het perceel [adres] ) van de inrichting binnen 6 maanden na dagtekening van deze uitspraak. Vergunninghoudster mag een minimaal gelijkwaardige voorziening plaatsen binnen genoemde termijn, waaronder begrepen een geluidwal met geluidscherm hoger dan 3 meter, na schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag. Deze schriftelijke goedkeuring moet op de voorgeschreven wijze bekend worden gemaakt en moet worden toegezonden aan alle omwonenden.
5.3.10
Vergunninghoudster moet een elektrische blower plaatsen voor het innamepunt IP-3 aan de noordzijde van het gebouw binnen 6 maanden na dagtekening van deze uitspraak.
5.3.11.
De inrichting moet in werking zijn in overeenstemming met het akoestische rapport ‘ [naam] ’ van Peutz van20 juli 2023.
De eerste volzin van voorschrift 5.1.5 wordt als volgt gewijzigd: “Binnen 6 maanden na dagtekening van deze uitspraak moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan.”
1.3.3
Vergunninghoudster dient voor alle bezoekers van de inrichting door middel van borden en instructies aan te geven welke activiteiten binnen de inrichting zijn toegestaan met inachtneming van de voorschriften van de vergunning.
1.3.4
Vergunninghoudster draagt zorg voor voldoende instructies aan de chauffeurs van vrachtwagens.
1.3.5
Vergunninghoudster draagt zorg voor doorlopend cameratoezicht en monitoring van geluidbronnen binnen het rood omlijnde terrein van de inrichting. Beelden en geluidopnamen dienen minimaal 5 dagen te worden bewaard.
12.1
Voor alle duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit betekent dat vergunninghoudster zich niet alleen moet houden aan bovenstaande voorschriften maar ook aan het besluit en de voorschriften die niet worden gewijzigd of aangevuld. De rechtbank bepaalt daarnaast dat bijlage 2 deel uitmaakt van het besluit.
12.2
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, krijgen eisers hun griffierecht terug.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand onder wijziging van en aanvulling met de volgende voorschriften:
5.3.4 In de nachtperiode, van 23:00 uur tot 06:00 uur, moet poort 1 (aan de [adres] ) gesloten zijn en blijven. Tussen 06:00 uur en 07:00 uur mag poort 1 open ten behoeve van het parkeren van vrachtwagens ten oosten van de rode aanduiding op het verharde terrein van de inrichting.
5.3.5 In de nachtperiode mogen van 23:00 uur tot 07:00 uur geen geluidemitterende activiteiten worden verricht binnen het rood omlijnde verharde terrein van de inrichting. Hieronder vallen in ieder geval het gebruik van de weegbrug, de tankplaats en ieder gebruik van vracht- of personenwagens.
5.3.6 In de nachtperiode mogen van 23:00 uur tot 07:00 uur geen mechanische signalen worden gebruikt of gegeven (zoals claxons of rijsignalen) op het terrein van de inrichting.
5.3.7 In de nachtperiode is het terrein van de inrichting, van 23:00 uur tot 07:00 uur, uitsluitend toegankelijk via de poort aan de [adres] , waarbij maximaal twee vrachtwagens grondstoffen mogen aanvoeren tussen 06:00 en 07:00 uur en de resterende vrachtenwagens in één beweging moeten parkeren aan de westzijde van het bedrijfsgebouw. Na 23:00 mogen geen voertuigbewegingen plaatsvinden ten noorden van de noordgevel van het bedrijfsgebouw met uitzondering van twee vrachtwagens die tot 24:00 uur mogen rijden ten westen van het rood aangeduide verharde terrein van de inrichting.
5.3.8 Er mag binnen de inrichting geen gebruik worden gemaakt van transportmiddelen met een hoorbare achteruitrijsignalering tenzij dit gebruik in de toekomst wettelijk verplicht is en er geen alternatieven zijn.
5.3.9 Vergunninghoudster moet een minimaal 3 meter hoog geluidscherm plaatsen aan de noordzijde en oostzijde (tot de zuidgrens van het perceel [adres] ) van de inrichting binnen 6 maanden na dagtekening van deze uitspraak. Vergunninghoudster mag een minimaal gelijkwaardige voorziening plaatsen binnen genoemde termijn, waaronder begrepen een geluidwal met geluidscherm hoger dan 3 meter, na schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag. Deze schriftelijke goedkeuring moet op de voorgeschreven wijze bekend worden gemaakt en moet worden toegezonden aan alle omwonenden.
5.3.10 Vergunninghoudster moet een elektrische blower plaatsen voor het innamepunt IP-3 aan de noordzijde van het gebouw binnen 6 maanden na dagtekening van deze uitspraak.
5.3.11. De inrichting moet in werking zijn in overeenstemming met het akoestische rapport ‘ [naam] ’ van Peutz van 20 juli 2023.
De eerste volzin van voorschrift 5.1.5 wordt als volgt gewijzigd: “Binnen 6 maanden na dagtekening van deze uitspraak moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan.”
1.3.3 Vergunninghoudster dient voor alle bezoekers van de inrichting door middel van borden en instructies aan te geven welke activiteiten binnen de inrichting zijn toegestaan met inachtneming van de voorschriften van de vergunning.
1.3.4 Vergunninghoudster draagt zorg voor voldoende instructies aan de chauffeurs van vrachtwagens.
1.3.5 Vergunninghoudster draagt zorg voor doorlopend cameratoezicht en monitoring van geluidbronnen binnen het rood omlijnde terrein van de inrichting. Beelden en geluidopnamen dienen minimaal 5 dagen te worden bewaard.
  • bepaalt dat de inrichtingstekening die wordt getoond in bijlage 2 van deze uitspraak, deel uitmaakt van het besluit;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 181,00 aan zowel eisers 1 als eiser 2 moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, mr. J. Heijerman en
mr. J.H.G van den Broek, leden,in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage 1: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
e.
1°.het oprichten,
2°.het veranderen of veranderen van de werking of
3°.het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk,
Artikel 2.14 van de Wabo
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:
a.betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
1°.de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;
2°.de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;
3°.de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;
4°.de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;
5°.de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
6°.het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;
b.houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:
1°.het voor hem geldende milieubeleidsplan;
2°.het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;
3°.de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;
c.neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:
1°.dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;
2°.de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;
3°.in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;
4°.de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22;
d.en betrekt het bevoegd gezag bij die beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.
2 Voor zover de aanvraag om een activiteit als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een inrichting waarin stoffen behorende tot een in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie aanwezig kunnen zijn en die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de beslissing op de aanvraag niet tot gevolg heeft dat minder dan voldoende afstand aanwezig is tussen die inrichting en een beschermd natuurmonument of gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 of een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10a van die wet of dat voorlopig als zodanig is aangewezen krachtens artikel 12 van die wet. Bij de beoordeling van de afstand betrekt het bevoegd gezag de maatregelen die zijn of worden getroffen om een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer waarbij stoffen als bedoeld in de eerste volzin zijn betrokken en waardoor ernstig gevaar voor het milieu ontstaat, in de inrichting te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.
3 Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
4 Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.
5 In afwijking van het eerste tot en met vierde lid wordt in gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, de omgevingsvergunning verleend indien wordt voldaan aan de in het laatstgenoemde lid gestelde voorwaarden.
6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting of mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie.
7 Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.

Besluit activiteiten leefomgeving

Artikel 3.128 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:
a. het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
d. het maken en bewerken van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren of dieren die worden gehouden voor hun pels; en
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
(…)
Artikel 3.129 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ippc-installatie)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies.
(…)

Bijlage 2 afdruk inrichtingstekening

Voetnoten

1.Richtlijn 2010/75/EU, verder: RIE
2.Het rapport ‘Akoestisch onderzoek naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid nabij [naam] in [woonplaats] ’ van 24 mei 2018.