Eiser diende een gezondheidsverklaring in bij het CBR om zijn rijgeschiktheid te laten beoordelen. Het CBR weigerde de verklaring te registreren omdat eiser het noodzakelijke bloedonderzoek, dat essentieel is voor het vaststellen van cannabisgebruik, heeft geweigerd. Eiser beriep zich op prikangst en geloofsovertuiging, maar kon dit niet met medische bewijsvoering onderbouwen.
De psychiater concludeerde dat zonder bloedonderzoek niet met zekerheid kon worden vastgesteld of eiser een recidiefvrije periode van een jaar had met betrekking tot drugsmisbruik. Het CBR baseerde zich op deze bevindingen en de richtlijn voor drugsmisbruik in rijgeschiktheidskeuringen, waarin bloedonderzoek als essentieel wordt beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat het CBR terecht het bloedonderzoek als noodzakelijk beschouwde en dat eiser onvoldoende redenen had gegeven om daarvan af te zien. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten en het besluit van het CBR bleef in stand.