ECLI:NL:RBOBR:2025:7713

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
82.003792.23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Fraude en witwassen door cursusinstelling voor inburgeraars met valse facturen en gebruik van DUO-gelden

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die feitelijk leiding heeft gegeven aan een cursusinstelling voor inburgeraars, genaamd [bedrijf 1]. De rechtbank oordeelt dat de verdachte en de cursusinstelling zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte door opzettelijk gebruik te maken van valse facturen om onterecht gelden van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) te verkrijgen. De feiten vonden plaats tussen 18 mei 2018 en 8 april 2020, waarbij de cursusinstelling in totaal € 3.731.349,26 heeft ontvangen van de DUO voor cursussen die in werkelijkheid niet zijn gegeven. De rechtbank concludeert dat de verdachte, als feitelijk leidinggevende, op de hoogte was van de frauduleuze praktijken en hieraan heeft bijgedragen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82.003792.23
Datum uitspraak: 25 november 2025.
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 september 2025, 1 oktober 2025 en 11 november 2025 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

1.De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 mei 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van feit 1:
[bedrijf 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 mei 2018 tot en met 8 april 2020 (AMB-001-04, pag. 824/4980 en AMB-003-03 t/m AMB-003-05, pag. 857/4980 e.v.), te Rotterdam en/of Breda en/of Den Haag en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of vervalste factu(u)r(en), te weten
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist] , met factuurnummer 511, d.d. 1 mei 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro (DOC-021-34, pag. 4438/4980) en/of
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 2] , met factuurnummer 614, d.d. 1 juli 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro (DOC-021-60, pag. 4464/4980) en/of
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 3] ( [cursistnummer 1] ), met factuurnummer 2399, d.d. 10 december 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro (AMB-045-02, pag. 1623 en 1624/4980) en/of
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 4] ( [cursistnummer 2] ), met factuurnummer 2589, d.d. 1 april 2019 voor een bedrag van 1.249,50 euro (AMB-045-02, pag. 1625 en 1626/4980) en/of
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 5] ( [leerlingnummer] ), met factuurnummer TH3248P1 d.d. 15 oktober 2019 voor een bedrag van 1.249,92 euro (DOC-027-35, pag. 4871/4980 en Bijlage 3b bij AMB-054-08, pag. 2014/4980) en/of
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 6] ( [leerlingnummer] ), met factuurnummer TH3526P1 d.d. 12 december 2019 voor een bedrag van 1.249,92 euro (DOC-023-106, pag. 4573/4980 en Bijlage 1b bij AMB-054-09, pag. 2031/4980),

-elk- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken -zakelijk weergegeven- hierin dat: [bedrijf 1] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n), toen aldaar, voornoemde valse en/of vervalste factu(u)r(en) aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft verzonden en/of verstrekt ten behoeve van de uitbetaling hiervan aan [bedrijf 1] (AMB-001-04, pag. 827/4980 en DOC-021-34, pag. 4438/4980, AMB-001-04, pag. 834/4980 en 835/4980 en DOC-021-60, pag. 4464/4980, AMB-045-02, pag. 1623/4980 t/m 1626/4980, Bijlage 3b bij AMB-054-08, pag. 2014/4980 en Bijlage 1b bij AMB-054-09, pag. 2031/4980), tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

ten aanzien van feit 2:
[bedrijf 2] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 september 2018 tot en met 6 december 2019, te Rotterdam en/of Breda en/of Den Haag en/of Barendrecht en/of Heerlen en/of Ridderkerk en/of Breukelen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal 545.211,48 euro (of daaromtrent) (AMB-027-02, pag. 1411, 1412, 1413 en 1415/4980 en tabellen zaaksp-v, pag. 296/4980), althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had/hadden, en/of een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal 545.211,48 euro (of daaromtrent) (AMB-027-02, pag. 1411,1412, 1413 en 1415/4980 en tabellen zaaksp-v, pag. 296/4980), althans enig geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [bedrijf 2] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) (telkens) -onmiddellijk of middellijk- geheel of ten dele, afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en aldus van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
ten aanzien van feit 3:
[bedrijf 1] op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 3 februari 2020 (DOC-024-15, pag. 4713/4980) tot en met 18 februari 2020 (DOC-024-02, pag. 4641/4980), te Leeuwarden en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse en/of vervalste factuur d.d. 18 september 2018, afkomstig van [bedrijf 3] en gericht aan [bedrijf 1] ter zake de levering van 75 laptops voor een totaalbedrag van 32.000 euro (DOC-024-18, pag. 4721/4980), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware voornoemd geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken -zakelijk weergegeven- hierin dat: [bedrijf 1] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n), toen aldaar, voornoemde valse en/of vervalste factuur aan ING te Leeuwarden heeft verzonden en/of verstrekt, tezamen met de door ING in het kader van een klantonderzoek naar het gebruik van de zakelijke rekening op naam van [bedrijf 1] gevraagde aanvullende informatie over een tweetal betalingen op 10 december 2019 door [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] voor in totaal 9.600 euro en de relatie tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] (DOC-024-15, pag. 4713/4980 en DOC-024-07, pag. 4658 en 4659/4980), tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

3.De beoordeling van de tenlastegelegde feiten.

3.1
vrijspraak ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht, in overeenstemming met de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan de verboden gedraging beschreven onder feit 3 feitelijk leiding heeft gegeven. Dit betekent dat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
3.2
De beoordeling van de overige tenlastegelegde feiten.
3.2.1
Het standpunt van de officier van justitie.
Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden en de toelichting daarop ter terechtzitting van 1 oktober 2025 heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2.2.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota beschreven gronden en de toelichting daarop ter terechtzitting heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit. Zo heeft de verdediging over het onder feit 1 tenlastegelegde aangevoerd dat geen sprake was van valse facturen, omdat de verschuldigdheid van de betaling ontstaat op basis van het aanbod van de dienst en niet door het daadwerkelijke gebruik daarvan. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat ook op andere gronden niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van valse facturen en dat het gehele bedrag een criminele herkomst heeft.
Verder is aangevoerd dat ten aanzien van alle feiten geen sprake is geweest van feitelijk leidinggeven door verdachte. Voor zover de rechtbank dat niet zou volgen is van belang dat verdachte geen opzet had op eventuele onjuistheden. Wat betreft het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen is er geen sprake van uit misdrijf afkomstige gelden. Voor zover de rechtbank dat niet zou volgen heeft verdachte geen wetenschap gehad van de gestelde criminele herkomst van de gelden. De berekeningen en de daaropvolgende bevindingen in het dossier kunnen niet zonder meer gevolgd worden. Voor zover dat al het geval zou zijn is niet komen vast te staan dat een voldoende substantieel deel van het geld een criminele herkomst heeft om te kunnen spreken van vermenging.
3.2.3
Het oordeel van de rechtbank.
3.2.3.1. De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank hierna niet op die verweren zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.
3.2.3.2. Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
Nu verdachte ten aanzien van alle feiten wordt vervolgd als zijnde de feitelijk leidinggever aan de door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] verrichte gedragingen zal de rechtbank eerst vaststellen of deze rechtspersonen zich schuldig hebben gemaakt aan een verboden gedraging.

Het systeem van bekostiging van inburgeringscursussen ten tijde van de tenlastegelegde feiten.
Een persoon die in Nederland wil inburgeren dient een inburgeringscursus te volgen. Om de aan de inburgeringscursus verbonden kosten te kunnen betalen verstrekte de overheid, in de periode waarin [bedrijf 1] het onder feit 1 tenlastegelegde zou hebben gepleegd (18 mei 2018 tot en met 23 april 2020), een lening van € 1.250,-- per kwartaal tot een maximum van € 10.000,-- per inburgeraar. Deze lening werd niet aan de inburgeraar uitbetaald maar aan de cursusinstelling. Als de inburgeraar voor de inburgering slaagde of als de inburgeraar een verklaring kon overleggen minimaal 600 uren les te hebben gevolgd, werd de lening kwijtgescholden.
Namens de overheid was de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: de DUO) met de uitvoering van deze regeling belast. De betaling van de facturen door de DUO uit het leningsbedrag van de inburgeraar werd verricht nadat de inburgeraar daarvoor zijn/haar akkoord had gegeven.
Onderdeel van de inburgeringsexamens was het onderdeel Oriëntatie Nederlandse Arbeidsmarkt (hierna: de ONA-cursus). Hierbij moesten inburgeraars een portfolio samenstellen. Vervolgens werd tijdens een eindgesprek met examinatoren van de DUO de inburgeraar bevraagd over zijn portfolio. Op basis van dit eindgesprek werd bepaald of de inburgeraar voor de ONA-cursus geslaagd was. Indien de inburgeraar daarom verzocht en aantoonde dat hij ten minste 64 uur had deelgenomen aan het cursusonderdeel ONA bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk werd hiervan afgeweken. De inburgeraar kon dit aantonen door het overleggen van een door de taalschool opgemaakte 64-uursverklaring. In dergelijke gevallen hoefde de inburgeraar alleen een portfolio ter beoordeling in te leveren bij de DUO en volgde er geen eindgesprek.

Het bestuur van [bedrijf 1] .
[bedrijf 1] is op 6 december 2017 opgericht door haar bestuurders [bedrijf 2] en [medeverdachte 1] . De bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] bestonden – zakelijk weergegeven – uit studiebegeleiding, vorming en onderwijs voor anderstaligen ten behoeve van de inburgering.
Beide bestuurders waren gezamenlijk bevoegd tot het nemen van bestuurdersbeslissingen. [medeverdachte 1] trad op 1 december 2018 uit zijn functie als bestuurder. In zijn plaats kwam [bedrijf 4] . als bestuurder en aandeelhouder. Deze bestuurder was ook gezamenlijk bevoegd. Vanaf 1 februari 2019 trad [bedrijf 4] . uit haar functie als bestuurder. Hiermee werd [bedrijf 2] zelfstandig bevoegd om bestuurdersbeslissingen te nemen.
De aandelen van [bedrijf 4] . werden op 3 juni 2019 overgenomen door [bedrijf 5] Op 8 april 2020 treedt [bedrijf 2] uit haar functie als bestuurder en wordt [bedrijf 5] enig aandeelhouder en zelfstandig bevoegd tot het nemen van bestuurdersbeslissingen.

Beoordeling feit 1. Heeft [bedrijf 1] zich (telkens) schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte?
In totaal heeft [bedrijf 1] voor de door haar gegeven cursussen € 3.731.349,26 ontvangen van de DUO. Dit bedrag ziet op de cursussen ALFA, A1, A2, B1, B2, de ONA-cursus en overige cursussen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [bedrijf 1] opzettelijk valse facturen heeft gebruikt om gelden van de DUO te kunnen verkrijgen. De vraag of de facturen vals zijn hangt in grote mate af van de vraag of [bedrijf 1] bewust geen (volwaardig) inburgeringsonderwijs aanbood en/of met cursisten samenwerkte om gelden van DUO te ontvangen zonder dat daar het gefactureerde onderwijs tegenover stond.
De rechtbank merkt op dat uit het dossier blijkt dat er wel enige (online) lessen werden gegeven binnen [bedrijf 1] . Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen is de rechtbank evenwel van oordeel dat, náást de legitieme bedrijfsvoering van [bedrijf 1] , twee verschillende kenmerkende frauduleuze werkwijzen werden gehanteerd. Uit deze werkwijzen blijkt dat binnen [bedrijf 1] beleid werd gevoerd met betrekking tot het factureren voor cursisten die nooit de intentie of mogelijkheid hadden om (volwaardig) inburgeringsonderwijs te volgen. De rechtbank zal deze twee werkwijzen nader toelichten.
Frauduleuze werkwijze 1. Er werd geen (volwaardig) inburgeringsonderwijs gegeven.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [bedrijf 1] diverse cursussen bewust nooit of slechts in zeer beperkte mate heeft gegeven. Uit de bewijsmiddelen komt deze frauduleuze werkwijze met name naar voren bij de zogenoemde ONA-cursussen, waar cursisten met een 64-uursverklaring en gevulde portfolio voor konden slagen. Deelnemers volgden geen cursus, maar werden expliciet gevraagd om gezamenlijk financieel te profiteren van de DUO-lening. [bedrijf 1] kreeg maximaal € 1.250,00 per kwartaal per inburgeraar van de DUO. De inburgeraar ontving (in de regel) van dit bedrag (een) cadeaukaart(en) van de Mediamarkt tot € 350,00.
Deze frauduleuze werkwijze blijkt uit tapgesprekken van [medewerker] , een medewerker van [bedrijf 1] , waarin [medewerker] onder meer zegt “wij hebben een groep, maar niet compleet, zij hebben niet altijd les (…) met de ONA, de leerlingen gaan samenkomen met de leraar en bespreken de zaken en ehhh.. klaar.” En “dan moet hij de kaartjes invullen, hij krijgt 64 uur, betaalt 1250, krijgt 350 aan tegoedbonnen en vertrekt dan.. en de ONA is dan geslaagd.”
[cursist 7] heeft verklaard dat het klopt dat hij en [medewerker] een overeenkomst sloten om de beschikbare gelden van zijn DUO-lening te gebruiken voor gezamenlijk financieel profijt Hij verklaart dat nadat [bedrijf 1] het resterende geld van de DUO-lening had ontvangen hij de Mediamarkt kaarten opgestuurd zou krijgen. Hij had via Facebook van iemand gehoord dat dit op deze manier geregeld kon worden met [bedrijf 1] . Daarnaast verklaart hij dat hij op één dag in Amsterdam meerdere handtekeningen met verschillende pennen heeft gezet voor zijn aanwezigheid op meerdere cursusdagen van de ONA-cursus.
Ook de docent van [cursist 7] , [getuige 1] heeft – geconfronteerd door de verbalisanten – verklaard dat het een samenwerking is tussen de school en de cursisten, dat hij nooit in Amsterdam is geweest om les te geven, dat hij met [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) had afgesproken dat hij aan iedere ONA-cursist slechts 3 uur les zou geven en dat hij niet – zoals op presentielijst DOC-023-71 was weergegeven - aan 21 cursisten tegelijk in één klas les heeft gegeven.
Het bestaan van deze werkwijze wordt verder ondersteund door verklaringen van andere cursisten. Zo verklaart [cursist 5] – onder meer – dat hij geen les heeft gehad en dat hij op één dag een presentielijst met verschillende pennen moest ondertekenen en dat hij gezien heeft dat anderen dit ook deden. [cursist 8] heeft ook verklaard helemaal geen les te hebben gehad. [cursist 9] verklaarde voor cursussen A1 en A2 helemaal geen les te hebben gehad en voor ONA slechts zes tot zeven uur les te hebben gehad op één dag. Zij heeft ook verklaard dat zij voorafgaand aan de ONA-cursus met ‘ [medewerker] ’, waarvan de rechtbank begrijpt dat dit [medewerker] betreft, had gebeld om te bespreken hoe zij kon profiteren van de nog openstaande gelden op haar DUO-lening.
Uit de verschillende verklaringen maakt de rechtbank op dat er voor de ONA-cursussen met cursisten werd afgesproken dat [bedrijf 1] in plaats van het geven van 64 lesuren, de cursist op één dag(deel) naar een locatie moesten komen om op diverse presentielijsten handtekeningen te zetten en om het portfolio te (laten) invullen. Door het invullen van de presentielijsten werd de indruk gewekt dat zij 64 uur les hadden gevolgd, terwijl dit dus in werkelijkheid niet zo was. Door deze werkwijze werd het mogelijk gemaakt om voor de cursus te slagen met een valse 64-uurs verklaring. [bedrijf 1] declareerde bij DUO per kwartaal € 1.250,- voor ONA-onderwijs, terwijl dat onderwijs feitelijk dus niet werd gegeven.
Frauduleuze werkwijze 2. [bedrijf 1] bood wel een online cursus aan. Sommige cursisten namen deel, maar veel cursisten niet.
[bedrijf 1] bood ook online cursussen aan aan cursisten. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat in veel gevallen bij deze andere cursussen voor substantieel meer cursisten is gefactureerd bij de DUO dan cursisten die daadwerkelijk de cursus (kunnen) hebben gevolgd.
Zo is er voor de cursussen met als kenmerk “A1 online A”, “A1 online D” en “A1 online E” een totaalbedrag van € 133.520,06 gefactureerd en uitbetaald door de DUO. Dit terwijl uit de persoonlijke aanwezigheidsregistratie van de docente van deze cursussen, [getuige 2] , blijkt dat een groot deel van de cursisten waarvoor is gefactureerd in het geheel niet aanwezig is geweest. Het gaat dan om een totaalbedrag van € 53.646,50 aan facturen, oftewel 40,18% van het totaal.
De juistheid van de aanwezigheidsregistratie van [getuige 2] wordt ondersteund door verschillende verklaringen van cursisten. [cursist 10] verklaart dat hij alleen de cursus Alfabet heeft gevolgd terwijl [bedrijf 1] namens hem een factuur bij de DUO heeft ingediend voor de cursus A1 Online D. [cursist 4] verklaart dat hij door technische problemen nooit een online les heeft kunnen volgen. Dit terwijl hij de problemen steeds bleef melden aan [bedrijf 1] . Voor hem is desondanks een factuur ingediend bij de DUO door [bedrijf 1] voor de door [getuige 2] gegeven cursus A1 online E.
Een soortgelijke analyse is door de onderzoekers gemaakt ten aanzien van de groepen B1-B, B1-C, B1-D, B1-A, B-16/B1-F, B1-6/B1-G, B1-8, B1-9, B-10, B-11, B2 online C en B2-1. Hieruit blijkt dat bij elke groep vele cursisten op geen enkele wijze ingelogd zijn geweest tijdens hun cursus. Zij hebben dus nooit online taallessen gevolgd. Voor alle B-cursussen is in totaal € 449.192,85 ontvangen van de DUO. Daarvan is € 345.711,75 (bijna 77%) afkomstig van facturen waarbij de desbetreffende cursist nooit heeft ingelogd. Zo zijn namens cursist [cursist 12] ten aanzien van één cursus (B1-B) drie facturen ingediend bij de DUO. Dit terwijl hij geen enkel uur heeft ingelogd bij deze cursus of een andere soortgelijke cursus. Ook bij de cursussen ONA1, ONA4 en ONA8 zijn vele cursisten nooit online ingelogd geweest. Hiervoor is door [bedrijf 1] in totaal € 125.933,55 gefactureerd aan en betaald door de DUO. Hiervan is € 35.536,00 (28%) ontvangen zonder dat de desbetreffende cursist ooit heeft ingelogd.
Voorts blijkt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen dat [bedrijf 1] factureerde voor cursisten waarvan op basis van de inloggegevens kan worden vastgesteld dat zij slechts zeer beperkt aanwezig waren. Het gaat dan om een zodanig geringe hoeveelheid inloggen, dat niet kan worden gesproken van het daadwerkelijk volgen van de cursus. Bij de cursussen B1-A, B1-B, B1-C, B1-D, B1-6/B1-F, B1-7/B1-G, ONA1, ONA4 en ONA8 is van de in totaal voor deze cursussen € 575,126,40 een bedrag van € 46,092,20 (8%) door [bedrijf 1] aan de DUO gefactureerd op grond van cursisten die zeer beperkt aanwezig zijn geweest.
De hiervoor omschreven aantallen maken dat de rechtbank concludeert dat een groot deel van de cursisten zich heeft ingeschreven bij [bedrijf 1] zonder dat zij les hebben gevolgd of kunnen hebben gevolgd. Immers zijn een groot deel van de cursisten nooit ingelogd geweest om de cursus te kunnen volgen. Daarnaast zijn er ook cursisten geweest die slechts een zeer beperkt aantal uren hebben ingelogd. De rechtbank zal nu ingaan op de vraag of het ten aanzien van deze cursisten de bedoeling is geweest van [bedrijf 1] om hen te faciliteren in het opsouperen van hun DUO-leningen voor gezamenlijk financieel profijt.
De intenties van [bedrijf 1] ten aanzien van de twee werkwijzen.
De rechtbank merkt op dat het in zijn algemeenheid zo kan zijn dat een inburgeraar een les (gedeeltelijk) niet volgt door ziekte of andere onvoorziene omstandigheden. De rechtbank is evenwel op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat dit geen verklaring betreft voor de bij [bedrijf 1] aanwezige percentage van afwezigheid.
Ten eerste weegt voor de rechtbank in dat verband mee dat zeer stelselmatig is gefactureerd voor cursisten die ofwel geheel afwezig waren ofwel een zeer beperkt aantal uren aan cursus hebben gevolgd. In het geval van de onderzochte B1 en B2 cursussen heeft minder dan een kwart van de facturen betrekking op op studenten die daadwerkelijk op enig moment hebben ingelogd en dus enig lesuur hebben kunnen volgen. Dat staat naar het oordeel van de rechtbank in geen verhouding tot de door [bedrijf 1] gegeven verklaring, dat cursisten nu eenmaal soms niet komen opdagen voor een cursus.
Ten tweede blijkt uit het dossier in het geheel niet dat [bedrijf 1] op enig moment is overgegaan tot het attenderen van cursisten op hun afwezigheid bij een cursus: er zijn juist cursisten waar meerdere cursussen voor zijn gedeclareerd, zonder dat is gebleken van aanwezigheid op één van die cursussen.
Ten derde blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank dat [bedrijf 1] bewust zo veel mogelijk cursisten aantrok zonder de intentie om volwaardig inburgeringsonderwijs te volgen.
Zo verklaart [cursist 7] dat hij via Facebook en zijn omgeving had gehoord dat [bedrijf 1] niet moeilijk doet en dat je niet in de les hoeft te komen. [cursist 10] verklaart dat [bedrijf 1] maar één doel had en dat was geld incasseren bij de DUO. In een telefoongesprek tussen [medewerker] [cursist 11] op 13 november 2019 bespreken zij hoeveel gelden er nog resteren van de DUO-lening van deze cursist en wie op welke wijze daarvan kunnen profiteren. Dit komt ook overeen met de verklaringen van docenten. Docent [docent 4] verklaarde dat het [bedrijf 1] alleen maar om het geld te doen is en dat als leerlingen niet komen er toch voor ze wordt afgetekend. [Docent 1] verklaarde zelfs dat zij bij één van de lessen van een door haar gegeven cursus in het geheel geen respons kreeg van de paar wél ingelogde online cursisten. Toen zij een uur eerder stopte met lesgeven heeft zij hier nooit iets over gehoord van de cursisten of van [bedrijf 1] .
De verklaringen van de betrokken docenten maken ook duidelijk dat [bedrijf 1] de aanwezigheid van cursisten niet door de docenten liet registreren. [getuige 2] verklaarde onder meer:
“(…)het aantal leerlingen wat ik op mijn lijst had, heb ik nooit op mijn scherm gehad. Dat klopte helemaal niet. Stel ik had een klas met 12 mensen dan zaten er zo vier a vijf cursisten niet in.”[Docent 1] verklaarde dat zij de aanwezigheid niet hoefde te registreren vanuit [bedrijf 1] . [Docent 2] verklaarde dat hij voor de ONA-cursussen helemaal geen aanwezigheid heeft bijgehouden omdat dit van [bedrijf 1] niet hoefde. [docent 3] verklaarde hij dat hij maar één keer een presentielijst had gekregen en de aan- of afwezigheid verder niet hoefde door te geven. [Docent 4] verklaarde dat zij, als haar in oktober gevraagd werd om een presentielijst bij te houden zij deze lijst pas in november kreeg en dat [bedrijf 1] in het begin helemaal niet vroeg om presentielijsten. Daarnaast verklaarde zij dat zij een aan haar getoonde deelnemerslijst niet herkende, dat zij überhaupt geen ONA-cursussen heeft gegeven en dat ze ook nooit zoveel mensen in één klas heeft gehad als op de getoonde deelnemerslijst staan. 46 cursisten in één klas is volgens haar ook niet mogelijk.
De rechtbank acht het zeer opmerkelijk dat er binnen de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] geen werkwijze bestond met betrekking tot het registreren van de aanwezigheid van de cursisten. Dit geldt in het bijzonder voor de ONA-cursussen nu zij als cursusinstelling ook op een verantwoorde wijze 64-uursverklaringen voor cursisten moeten kunnen afgeven. Het ligt voor de hand dat de docent, wie bij uitstek zicht had op de daadwerkelijke deelnemers van de cursussen, een aanwezigheidslijst zou moeten bijhouden. Daar komt nog bij dat onder meer [docenten] een aanzienlijk deel van de inhoud van de aan hen voorgehouden administratie van [bedrijf 1] niet kunnen onderschrijven.
Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [bedrijf 1] bewust een beleid heeft gevoerd waarvan de hiervoor genoemde twee frauduleuze werkwijzen een kernonderdeel waren. Om deze werkwijzen administratief gezien te kunnen verantwoorden heeft zij diverse presentielijsten gemanipuleerd. Op basis van deze lijsten heeft zij opzettelijk voor cursisten bij de DUO gefactureerd waarvan zij wist dat zij nooit enige intentie hadden om een les te volgen of gevolgd hebben. Nu [bedrijf 1] hiervan wist had zij ook geen enkele intentie om volwaardig inburgeringsonderwijs aan te bieden.
De rechtbank is van oordeel dat een factuur waarop is opgenomen dat een bepaald aantal uren les is of zal worden gegeven, terwijl er nooit een intentie is geweest om volwaardig les te geven, geen weergave is van de werkelijkheid danwel de werkelijke civiele verhouding. Daarmee zijn die facturen, anders dan door de verdediging bepleit, naar het oordeel van de rechtbank vals.
Specifiek voor de in de tenlastelegging opgenomen facturen overweegt de rechtbank aanvullend als volgt.
De factuur van [cursist] (eerste gedachtestreepje).
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] door middel van de tweede werkwijze deze valse factuur opzettelijk heeft gebruikt als ware echt en onvervalst. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat deze cursist in het geheel niet heeft ingelogd voor de desbetreffende cursus. Voor deze cursist is ook voor deelname aan een ONA-cursus gefactureerd die zou zijn gegeven in Zwolle, terwijl [cursist] op dat moment woonachtig was aan de andere kant van Nederland, in Leiden. De rechtbank acht het aannemelijk dat [cursist] (ook) deze cursus niet daadwerkelijk heeft gevolgd en dat hij derhalve door [bedrijf 1] voor cursussen werd ingeschreven zonder de intentie die daadwerkelijk te volgen.
De factuur van [cursist 2] (tweede gedachtestreepje).
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] middels de eerste werkwijze deze valse factuur bewust opzettelijk heeft gebruikt als ware echt en onvervalst. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat de cursist op geen enkele wijze heeft ingelogd om de online cursus te kunnen volgen. Voor deze cursist is bovendien een zogenoemde 64-uursverklaring afgegeven, waarmee [bedrijf 1] – in strijd met de waarheid – verklaart 64 uur aan hem te hebben gegeven, wat de intentie om bij de facturatie te frauderen naar het oordeel van de rechtbank nog extra bevestigt.
De factuur van [cursist 3] (derde gedachtestreepje),
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] deze factuur middels de tweede werkwijze opzettelijk heeft gebruikt als ware echt en onvervalst. Voor deze cursist zijn twee facturen ingediend terwijl de cursist geen enkel deel van de cursussen heeft kunnen volgen. Zij heeft nooit op één van de cursussen ingelogd. [cursist 3] heeft zelf ook verklaard dat zij geen A1 lessen heeft gevolgd bij [bedrijf 1] .
De facturen van [cursist 4] (vierde gedachtestreepje),
[cursist 5] (vijfde gedachtestreepje en [cursist 6] (zesde gedachtestreepje),
Deze facturen zijn hierboven ook besproken bij de toelichting van de werkwijzen. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] de valse facturen met betrekking tot de cursisten [cursist 4] , [cursist 5] en [cursist 6] opzettelijk heeft gebruikt als ware echt en onvervalst. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat bij deze cursisten steeds één van de hiervoor beschreven werkwijzen is gehanteerd door [bedrijf 1] .
Van [cursist 4] volgt uit het dossier dat hij geen lessen heeft gevolgd van de cursus A2 Online waarvoor 1.249,50 euro bij de DUO is gefactureerd. Hij verklaart daarover zelf dat hij een niet-werkende ZOOM-code ontving en daardoor in het geheel niet kon inloggen.
[cursist 5] heeft verklaard dat hij op één dag het contract en de presentielijst met verschillende pennen moest ondertekenen. Hij heeft het portfolio nooit gezien en heeft ook geen lessen gevolgd.
[cursist 6] heeft verklaard dat [medewerker] zei dat hij 64 uur in één dag kan doen. Dit blijkt ook uit een tapgesprek tussen hem en [medewerker] op 12 november 2019. De factuur is een maand na dit telefoongesprek over een te volgen cursus opgemaakt, op 12 december 2019, terwijl de cursus gedurende drie maanden gegeven zou worden volgens de factuur.

Tussenconclusie feit 1: valsheid in geschrifte
Uit de omstandigheid dat [bedrijf 1] op telkens nagenoeg dezelfde wijze facturen bij de DUO heeft ingediend voor cursisten die nooit of slechts zeer beperkt een inburgeringscursus hebben gevolgd, trekt de rechtbank de conclusie dat [bedrijf 1] nooit de bedoeling heeft gehad deze cursisten een volwaardige inburgeringscursus aan te bieden. [bedrijf 1] stond hier ook om bekend en besprak deze mogelijkheden ook met cursisten, zo blijkt uit diverse tapgesprekken. Daarmee verwerpt de rechtbank ook het verweer van de verdediging dat cursisten zelf verantwoordelijk zijn voor het daadwerkelijk volgen van de inburgeringscursus en dat het niet volgen van zo’n cursus niet aan [bedrijf 1] kan worden toegerekend. Daaruit vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat – op het moment dat [bedrijf 1] de facturen met deze wetenschap aan de DUO verzond – sprake was van het gebruik maken van valse facturen.

Beoordeling feit 2. Heeft [bedrijf 1] zich schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen?
De bankrekening van [bedrijf 1] werd vrijwel uitsluitend gevoed door inkomsten vanuit de DUO.

Frauduleus handelen heeft geleid tot valse facturering bij de DUO bij de door verbalisanten onderzochte cursussen
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [bedrijf 1] door middel van de hiervoor beschreven frauduleuze werkwijzen valse facturen aan de DUO verzonden.
In reactie op het verweer van de verdediging dat niet kan worden bewezen verklaard dat er vaker fraude is gepleegd dan bij de in de tenlastelegging opgenomen zes facturen, overweegt de rechtbank als volgt.
Zoals hiervoor reeds overwogen, is gebleken dat er bij de online cursussen die zijn onderzocht een zeer groot percentage van de cursisten niet, of zeer beperkt, heeft ingelogd. Daarnaast is gebleken dat er presentatielijsten van fysieke cursussen zijn vervalst, dat cursisten ingeschreven hebben gestaan voor ONA-cursussen die op zeer grote afstand woonden van de cursuslocatie, dat docenten die de cursussen gaven daar nooit bij aanwezig hadden kunnen zijn omdat zij gelijktijdig op andere locaties werden verwacht en dat dus, kort samengevat, bij [bedrijf 1] een beleid heeft bestaan waar de frauduleuze werkwijzen onderdeel van uitmaakten. Dat reikt derhalve verder dan de onder feit 1 tenlastegelegde valse facturen.

Extrapolatie vanaf de onderzochte cursussen naar het overige onderwijs binnen [bedrijf 1]
De ‘steekproef’ die door de verbalisanten is uitgevoerd heeft betrekking op een aan de DUO gefactureerd bedrag van € 708.646,46. Het totaal gefactureerde bedrag voor de cursussen ONA, A1/A2 en Ba/B2 is € 3.036,413,11. Er is dus ruim 23% van de facturen in de ‘steekproef’ betrokken. Anders dan door de verdediging is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat dit percentage ruim voldoende is om aan te nemen dat het een representatief beeld geeft voor de gehele organisatie van [bedrijf 1] . De rechtbank sluit dan ook aan bij de door de onderzoekers uitgevoerde extrapolatie op basis van de onderzochte cursussen.
De rechtbank maakt hier een uitzondering op voor wat betreft de cursussen ‘ALFA’ en ‘overig’. Geen van deze cursussen is individueel onderzocht. Om die reden acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat ook bij deze cursussen structureel is gedeclareerd op basis van valse facturen. De rechtbank zal deze cursussen dan ook verder buiten beschouwing laten.

Vermenging
[bedrijf 1] heeft op basis van declaraties voor de cursussen A1, A2, B1, B2 en ONA in totaal € 3.036,413,38 ontvangen van de DUO. Hiervan is (op basis van extrapolatie) ongeveer een bedrag van € 1.668.177,10 ontvangen door [bedrijf 1] voor cursisten die geen onderwijs hebben gevolgd.
Er vonden daarnaast ook legitieme inburgeringscursussen plaats bij [bedrijf 1] waarvoor legale gelden zijn ontvangen. Die inkomsten van [bedrijf 1] zijn vermengd geraakt met het uit eigen misdrijf afkomstig geld.
Er is geen groot tijdsverloop tussen de ontvangsten van de geldbedragen op basis van valse facturen en de overboekingen naar medeverdachten, en het had een structureel karakter. Verder zijn er geen andere noemenswaardige inkomsten die op legale wijze zouden zijn verkregen. En in elk geval is er sprake van een zodanig groot deel van de inkomsten die van misdrijf afkomstig is dat op grond van vermenging kan worden vastgesteld dat alle uitgaven die [bedrijf 1] heeft gedaan gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn.
Bestemming van de gelden
In totaal is gedurende de tenlastegelegde periode € 1.145.435,98 onder meer overgedragen vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] naar [bedrijf 2] , [medeverdachte 1] , [bedrijf 4] ., [bedrijf 5] en [medeverdachte 2] .
De rechtbank concludeert dat gedeeltelijk uit een strafbaar feit afkomstig geld door [bedrijf 1] is ontvangen, dat [bedrijf 1] dit geldbedrag heeft omgezet en er gebruik van heeft gemaakt. Dit betekent dat het onder feit 2 sub b ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Uit de reeds hiervoor beschreven hoeveelheden en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat [bedrijf 1] van deze witwashandelingen een gewoonte heeft gemaakt.
Geen verhullingshandelingen.
[bedrijf 1] heeft diverse omschrijvingen zoals “dividend (plus)”, “winstvoorschot”, “management fee” en/of “lening” gebruikt bij het overboeken van het in totaal hiervoor genoemde bedrag van € 1.145.435,98. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat [bedrijf 1] door het gebruik van deze omschrijvingen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing van voormeld bedrag van € 1.145.435,98 niet heeft verborgen of heeft verhuld. Het enkel gebruiken van deze omschrijvingen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te spreken van verhullingshandelingen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf 1] van het onder feit 2 sub a ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Tussenconclusie feit 2: witwassen.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen.

Het daderschap van een rechtspersoon.
Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Kunnen de strafbare feiten worden toegerekend aan [bedrijf 1] ?
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen plaats vonden in de sfeer van [bedrijf 1] . Die gedragingen zoals deze hierna zijn bewezenverklaard pasten in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1] en zijn dienstig geweest aan het door [bedrijf 1] uitgeoefende bedrijf. [bedrijf 1] heeft ook steeds de gedragingen aanvaard door op geen enkele wijze maatregelen te treffen om uit te sluiten dat gedragingen in strijd met de geldende regelgeving zouden worden verricht.

Is er sprake van medeplegen (ten aanzien van feit 1, 2)?
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de hiervoor gegeven bijzondere bewijsoverwegingen blijkt dat [bedrijf 1] haar frauduleuze werkwijzen samen en in vereniging met anderen heeft uitgevoerd. In elk geval heeft [bedrijf 1] nauw en bewust samengewerkt met cursistenwerver [medewerker] en met cursisten waarvan [bedrijf 1] wist dat zij niet daadwerkelijk een cursus gingen volgen.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat bij hetgeen hierna bewezen is verklaard onder feit 1 sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De rechtbank acht het tenlastegelegde medeplegen ten aanzien van feit 2 niet bewezen nu uit de bewijsmiddelen niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijf 1] en een ander (buiten de feitelijk leidinggevers, waarmee niet medegepleegd kan worden in juridische zin).

Heeft [bedrijf 2] zich schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen?
Uit al hetgeen hiervoor is overwogen en uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [bedrijf 2] een met crimineel vermogen vermengd geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en er gebruik van heeft gemaakt. De enig aandeelhouder van [bedrijf 2] , [verdachte] , was ook feitelijk leidinggever van [bedrijf 1] en in die hoedanigheid op de hoogte van de frauduleuze werkwijzen binnen [bedrijf 1] . De overboekingen naar [bedrijf 2] zijn door hem, of met zijn toestemming, verricht en daarmee had de feitelijk leidinggever binnen [bedrijf 2] , [verdachte] , kennis van de criminele herkomst van de gelden die door [bedrijf 2] zijn witgewassen. Die wetenschap kan worden toegerekend aan [bedrijf 2] . De bewezenverklaarde gedragingen vonden plaats in de sfeer van [bedrijf 2] De gedragingen, zijnde het beheren van het gedeeltelijk uit strafbare feiten verkregen geldbedrag van [bedrijf 1] , pasten in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 2] en zijn aan haar dienstig geweest. Dit betekent dat het witwassen aan haar kan worden toegerekend. Gelet op de stelselmatigheid van de overboekingen is er zonder meer sprake geweest van gewoontewitwassen.

Het feitelijk leidinggeven door verdachte aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
Gelet op de hiervoor gegeven conclusies komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersonen.
De rol van verdachte binnen [bedrijf 2]
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte is sinds haar oprichting enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] en is daarnaast de enige belanghebbende van de gelden die door de rechtspersoon worden beheerd. Alle beslissingen van deze vennootschap kunnen redelijkerwijs door geen ander dan verdachte genomen zijn.
De rol van verdachte binnen [bedrijf 1]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn rol binnen het bedrijf slechts strategisch was en dat hij slechts had geïnvesteerd in [bedrijf 1] . De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een grote rol had binnen de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] en dat hij als feitelijk leidinggever kan worden gezien. Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Allereerst is van belang dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de eigenaar was en de strategie bedacht. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat [bedrijf 2] , het bedrijf van verdachte, de enige oprichtende partij was met zelfstandige beslissingsbevoegdheid. Medeoprichter en [medeverdachte 1] was immers niet zelfstandig bevoegd en moest beleidsmatige beslissingen overleggen met verdachte. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat, in de periode dat hij daar was, het verdachte was die [medeverdachte 2] aanstuurde. Daarnaast beschikte verdachte volgens [medeverdachte 1] over de ‘token’ en de inlogcodes die nodig waren om facturen bij de DUO in te dienen. Uiteindelijk was het verdachte, aldus [medeverdachte 1] , die aan de top van de organisatie stond. In de periode van 31 januari 2018 tot en met 19 december 2019 is door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] in totaal € 545.211,48 overgemaakt. Verdachte heeft van alle bestuurders van [bedrijf 1] het meeste financiële voordeel gehaald uit zijn bestuurdersactiviteiten binnen [bedrijf 1] . Hij had ook de (ongelimiteerde) beschikking over de bankrekening van [bedrijf 1] . Uit het hiervoor overwogene en uit het algehele beeld van het dossier blijkt dan ook dat verdachte de overkoepelende baas was binnen [bedrijf 1] .
Het is daarnaast verdachte geweest die [medewerker] heeft aangenomen. In de bewijsmiddelen bevinden zich een groot aantal tapgesprekken van deze [medewerker] , waaruit blijkt dat hij openlijk met cursisten bespreekt hoe gezamenlijk geprofiteerd kon worden van de beschikbare gelden op de DUO-leningen. [medewerker] lijkt een spil te zijn geweest in het werven van cursisten die geen onderwijs wensten te volgen.
Dat verdachte wist van en aanstuurde op frauduleuze activiteiten door [medewerker] blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer uit het getapte telefoongesprek tussen hen op 9 oktober 2019. Hierin zegt verdachte tegen [medewerker] : “
Ja zie maar neem contact op met [naam] (fon) vertel hem dat hij een jongeman heeft die alle vakken heeft gehaald behalve de ona, verleng het voor hem, hij heeft nog zesduizend, laat hem iets anders mee studeren, wil hij niet studeren profiteer jullie van deze onderwerp studie of iets.” De rechtbank kan dit gesprek niet anders opvatten dan dat verdachte wetenschap had van de handelwijze van [medewerker] en daar ook op aanstuurde. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewoordingen, ook in samenhang bezien met de werkwijze die gebruikelijk was binnen [bedrijf 1] , dat het ging om het profiteren van het bedrag van zesduizend euro en niet om het profiteren van een studie.
In een getapt telefoongesprek tussen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geeft [medeverdachte 1] de telefoon door aan ‘ [bijnaam] ’, een bijnaam van verdachte. In het tapgesprek komt het volgende naar voren:
“ [bijnaam] zegt heel veel te hebben gezocht, maar hij heeft bepaalde dingen niet gevonden. Dit komt doordat hij in het verleden heel veel papieren heeft weggegooid, aangezien er politiecontroles over de school plaatsvonden.De rechtbank voelt zich door deze bewoordingen gesterkt in haar overtuiging dat verdachte wel degelijk wist van de frauduleuze praktijken binnen [bedrijf 1] . Dat het over [bedrijf 1] ging en niet over een andere school van verdachte, blijkt uit het feit dat de drie (oud) bestuurders van [bedrijf 1] deelnamen aan het gesprek, de andere deelnemers hebben geen rol bij de andere taalscholen van verdachte.
Verdachte wist gelet op het voorgaande van de frauduleuze werkwijzen binnen [bedrijf 1] en stuurde daar ook op aan. Uit het dossier blijkt niet dat hij bij elke valse factuur betrokken is geweest of daar altijd van op de hoogte is geweest, maar door de frauduleuze werkwijzen te accepteren, heeft verdachte op zijn minst genomen telkens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de rechtspersoon de strafbare gedragingen zou verrichten.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat verdachte als middellijk bestuurder via [bedrijf 2] beleid heeft gevoerd binnen [bedrijf 1] waarvan de verboden gedragingen het onvermijdelijke gevolg zijn geweest. Immers zijn de hiervoor bij de beoordeling van feit 1 beschreven frauduleuze werkwijzen telkens door [bedrijf 1] toegepast. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte op enige (effectieve) wijze heeft ingegrepen, terwijl juist hij dit als uiteindelijk verantwoordelijke had moeten en kunnen doen.
Conclusie feitelijk leidinggeven.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de tenlastegelegde verboden gedragingen van beide rechtspersonen.

Slotconclusie.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1 en 2 onder b tenlastegelegde feiten bewezen zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

4.De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
[bedrijf 1] op tijdstippen in de periode van 18 mei 2018 tot en met 8 april 2020, in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse factuur te weten
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist] , met factuurnummer 511, d.d. 1 mei 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro en,
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 2] , met factuurnummer 614, d.d. 1 juli 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro en,
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 3] ( [cursistnummer 3] ), met factuurnummer 2399, d.d. 10 december 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro en,
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 4] ( [cursistnummer 2] ), met factuurnummer 2589, d.d. 1 april 2019 voor een bedrag van 1.249,50 euro en,
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 5] ( [leerlingnummer] ), met factuurnummer TH3248P1 d.d. 15 oktober 2019 voor een bedrag van 1.249,92 euro en,
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 6] ( [leerlingnummer] ), met factuurnummer TH3526P1 d.d. 12 december 2019 voor een bedrag van 1.249,92 euro

-elk- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken -zakelijk weergegeven- hierin dat: [bedrijf 1] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n), toen aldaar, voornoemde valse facturen aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft verzonden en/of verstrekt ten behoeve van de uitbetaling hiervan aan [bedrijf 1] B.V, aan welke verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

ten aanzien van feit 2:
[bedrijf 2] op tijdstippen in de periode van 5 september 2018 tot en met 6 december 2019, in Nederland, een geldbedrag van in totaal 545.211,48 euro, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet en van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl [bedrijf 2] telkens wist dat dat geldbedrag (telkens) -onmiddellijk of middellijk- ten dele, afkomstig was uit enig misdrijf, en aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

5.De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

7.De oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
De officier van justitie heeft tevens een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht in haar strafoplegging rekening te houden met de ernstige overschrijding van de redelijke termijn, zijn persoonlijke omstandigheden en de gestelde beperkte rol van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten.
[bedrijf 1] heeft, terwijl zij mede door verdachte werd aangestuurd, een groot aantal valse facturen ingediend bij de DUO. Aan de hand van deze facturen is de DUO overgegaan tot uitbetaling aan verdachte in een omvang waar [bedrijf 1] geen recht op had. Door de handelwijze van [bedrijf 1] is de DUO en daarmee de overheid in financiële zin benadeeld en heeft [bedrijf 1] het vertrouwen van de overheid geschaad en de integriteit van de overheid misbruikt. [bedrijf 1] heeft, mede onder leiding van verdachte en samen met haar medeverdachten, op grote schaal misbruik gemaakt van het leningsstelsel voor inburgeraars.
Daarnaast heeft [bedrijf 2] zich onder leiderschap van verdachte schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Witwassen, zeker op een dergelijk grote schaal, is een ernstig misdrijf waardoor de inkomsten uit misdrijven in het legale betalingsverkeer worden gebracht. Dit is een gevaar voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Bovendien worden deze inkomsten daarmee aan het zicht van justitie onttrokken. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit financieel gewin.
[bedrijf 1] heeft, mede onder het bewind van verdachte, de bewezenverklaarde feiten gedurende een lange periode gepleegd. Daarmee heeft [bedrijf 1] aanzienlijk financieel voordeel (ruim anderhalf miljoen euro) verkregen. [bedrijf 1] was een professionele speler in het veld van het verzorgen van inburgeringscursussen. Dat [bedrijf 1] , mede onder feitelijke leiderschap van verdachte, op deze wijze stelselmatig opzettelijk misbruik heeft gemaakt van het lening stelsel dat juist is bedoeld om inburgeraars een goede start te geven in de Nederlandse samenleving, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Anders dan door de verdediging gesteld is de rechtbank van oordeel dat verdachte op geen enkele wijze een beperkte rol heeft gespeeld binnen de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] . Het was naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek verdachte die het (financiële) beleid bepaalde. Het is ook verdachte geweest die verreweg het grootste financiële voordeel heeft genoten. Alhoewel de rechtbank ook tot veroordelingen van feitelijk leidinggeven aan [bedrijf 1] komt in de zaken van de medeverdachten is het verdachte geweest die een meer overkoepelende en leidinggevende positie heeft ingenomen. De rechtbank neemt deze hogere bedrijfspositie van verdachte dan ook in strafverzwarende zin mee.
De persoon van de verdachte.
De rechtbank heeft voor wat betreft de persoon van de verdachte acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 6 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de ter terechtzitting door verdachte toegelichte persoonlijke omstandigheden.
De redelijke termijn en de ouderdom van de feiten.
Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in de periode van 18 mei 2018 tot en met 8 april 2020. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop tot aan dit vonnis geheel of gedeeltelijk aan de verdediging is toe te rekenen. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt.
De rechtbank neemt de doorzoeking bij [bedrijf 1] op 25 juni 2020 als aanvangsmoment voor de redelijke termijn. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met 3 jaar en 5 maanden is overschreden. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met deze forse termijnoverschrijding en verdisconteren in (de duur van) de door haar gekozen strafmodaliteit.
De strafmodaliteit.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt. De rechtbank zal, mede gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn, bepalen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil hiermee enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte ter voorkoming van het opnieuw plegen van een strafbaar feit door verdachte.
De conclusie
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat
passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zonder overschrijding van de redelijke termijn had de rechtbank hem een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden waarvan 6 voorwaardelijk.
Tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 51, 57, 225, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9.DE UITSPRAAK

De rechtbank:
-
verklaarthet onder feit 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
-
verklaarthet onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
-
verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
-
verklaartdat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:
ten aanzien van feit 1:
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in art. 225 lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
ten aanzien van feit 2:
feitelijk leidinggeven aan gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon
-
verklaartverdachte hiervoor strafbaar en
legt opde volgende straf:
Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jarenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.C. Palmboom, voorzitter,
mr. M. Langstraat en mr. S.H.C. Merkx, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 25 november 2025.

Voetnoten

1.Zaaksdossier 3.2, pagina 296 van het procesdossier “King City”.