ECLI:NL:RBOBR:2025:7716

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
82.004412.23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Fraude en witwassen door cursusinstelling voor inburgeraars

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant geoordeeld over de verdachte die feitelijk leiding heeft gegeven aan een cursusinstelling voor inburgeraars. De rechtbank heeft vastgesteld dat de cursusinstelling zich schuldig heeft gemaakt aan frauduleuze praktijken, waaronder het opzettelijk gebruik maken van valse facturen en gewoontewitwassen. De verdachte heeft samen met anderen valse facturen ingediend bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) om onterecht geld te verkrijgen. De rechtbank heeft de feiten bewezen verklaard, waarbij de verdachte een actieve rol heeft gespeeld in het frauduleuze beleid van de cursusinstelling. De rechtbank heeft rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij het opleggen van de straf. Uiteindelijk is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82.004412.23
Datum uitspraak: 25 november 2025.
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 september 2025, 1 oktober 2025 en 11 november 2025 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

1.De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 mei 2025.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
ten aanzien van feit 1:
[bedrijf 1] . op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 mei 2018 tot en met 1 februari 2019 (AMB-001-04, pag. 824/4980 en AMB-003-04 pag. 850/4980), te Rotterdam en/of Breda en/of Den Haag en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of vervalste factu(u)r(en), te weten
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 1] , met factuurnummer 511, d.d. 1 mei 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro (DOC-021-34, pag. 4438/4980) en/of
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 2] , met factuurnummer 614, d.d. 1 juli 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro (DOC-021-60, pag. 4464/4980) en/of
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 3] , met factuurnummer 890, d.d. 10 oktober 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro (DOC-021-34, pag. 4438/4980) en/of
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 4] ( [cursistnummer] ), met factuurnummer 2399, d.d. 10 december 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro (AMB-045-02, pag. 1623 en 1624/4980) en/of
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 5] , met factuurnummer 2457, d.d. 10 januari 2019 voor een bedrag van 1.250,00 euro (DOC-021-36, pag. 4440/4980),

-elk- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken -zakelijk weergegeven- hierin dat: [bedrijf 1] . en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n), toen aldaar, voornoemde valse en/of vervalste factu(u)r(en) aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft verzonden en/of verstrekt ten behoeve van de uitbetaling hiervan aan [bedrijf 1] . (AMB-001-04, pag. 827/4980 en DOC-021-34, pag. 4438/4980, AMB-001-04, pag. 834/4980 en 835/4980 en DOC-021-60, pag. 4464/4980, AMB-045-02, pag. 1623/4980 en 1624/4980, AMB-001-04, pag. 827/4980 en 828/4980 en DOC-021-36, pag. 4440/4980), tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

ten aanzien van feit 2:
[bedrijf 1] . op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 mei 2018 tot en met 31 oktober 2018 (AMB-027-02, pag. 1416/4980), te Rotterdam en/of Breda en/of Den Haag en/of Barendrecht en/of Heerlen en/of Ridderkerk en/of Breukelen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal 79.600,00 euro (of daaromtrent) (AMB-027-02, pag. 1412, 1413 en 1416/4980 en tabellen zaaksp-v, pag. 296/4980), althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had/hadden, en/of een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal 79.600,00 euro (of daaromtrent (AMB-027-02, pag. 1412, 1413 en 1416/4980 en tabellen zaaksp-v, pag. 296/4980), althans enig geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [bedrijf 1] . en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) (telkens) -onmiddellijk of middellijk- geheel of ten dele, afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en aldus van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
ten aanzien van feit 3:
[bedrijf 2] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 november 2018 tot en met 3 mei 2019, te Rotterdam en/of Breda en/of Den Haag en/of Barendrecht en/of Heerlen en/of Ridderkerk en/of Breukelen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal 342.000,00 euro (of daaromtrent) (AMB-027-02, pag. 1412, 1413 en 1417/4980 en tabellen zaaksp-v, pag. 296/4980), althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had/hadden, en/of een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal 342.000,00 euro (of daaromtrent) (AMB-027-02, pag. 1412, 1413 en 1417/4980 en tabellen zaaksp-v, pag. 296/4980), althans enig geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [bedrijf 2] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) (telkens) -onmiddellijk of middellijk- geheel of ten dele, afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en aldus van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

3.De beoordeling van de tenlastegelegde feiten.

3.1
Het standpunt van de officier van justitie.
Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden en de toelichting daarop ter terechtzitting van 1 oktober 2025 heeft de officier van justitie geconcludeerd dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota beschreven gronden en de toelichting daarop ter terechtzitting heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit. Zo heeft de verdediging aangevoerd dat de berekeningen en de daaropvolgende bevindingen in het dossier niet zonder meer gevolgd kunnen worden. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van valse facturen, onder meer omdat de verschuldigdheid van de betaling ontstaat op basis van het aanbod van de dienst en niet door het daadwerkelijke gebruik daarvan. Voor zover dat al het geval zou zijn is niet komen vast te staan dat een voldoende substantieel deel van het geld een criminele herkomst heeft om te kunnen spreken van vermenging.
Tot slot heeft de verdediging betoogd dat indien en zover door [bedrijf 1] verboden gedragingen zijn verricht verdachte niet als feitelijk leidinggever van die gedragingen kan worden gezien.
3.3
Het oordeel van de rechtbank.
3.3.1.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank hierna niet op die verweren zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen. De verdediging heeft aangegeven dat de vertaling van enkele tapgesprekken en/of berichten in het dossier niet juist is. De rechtbank is van oordeel dat de geconstateerde vertalingsfouten niet zien op belastende (delen) van de door de rechtbank gebruikte tapgesprekken en/of berichten. Verder zijn de vertaalfouten niet van dermate grote omvang zijn of hebben zij dermate grote impact op de inhoud van de gesprekken dat dit de betrouwbaarheid van de gehele vertaling aantast.
3.3.2.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.

Het systeem van bekostiging van inburgeringscursussen ten tijde van de tenlastegelegde feiten.
Een persoon die in Nederland wil inburgeren dient een inburgeringscursus te volgen. Om de aan de inburgeringscursus verbonden kosten te kunnen betalen verstrekte de overheid, in de periode waarin [bedrijf 1] het onder feit 1 tenlastegelegde zou hebben gepleegd (18 mei 2018 tot en met 23 april 2020), een lening van € 1.250,-- per kwartaal tot een maximum van € 10.000,-- per inburgeraar. Deze lening werd niet aan de inburgeraar uitbetaald maar aan de cursusinstelling. Als de inburgeraar voor de inburgering slaagde of als de inburgeraar een verklaring kon overleggen minimaal 600 uren les te hebben gevolgd, werd de lening kwijtgescholden.
Namens de overheid was de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: de DUO) met de uitvoering van deze regeling belast. De betaling van de facturen door de DUO uit het leningsbedrag van de inburgeraar werd verricht nadat de inburgeraar daarvoor zijn/haar akkoord had gegeven.
Onderdeel van de inburgeringsexamens was het onderdeel Oriëntatie Nederlandse Arbeidsmarkt (hierna: de ONA-cursus). Hierbij moesten inburgeraars een portfolio samenstellen. Vervolgens werd tijdens een eindgesprek met examinatoren van de DUO de inburgeraar bevraagd over zijn portfolio. Op basis van dit eindgesprek werd bepaald of de inburgeraar voor de ONA-cursus geslaagd was. Indien de inburgeraar daarom verzocht en aantoonde dat hij ten minste 64 uur had deelgenomen aan het cursusonderdeel ONA bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk werd hiervan afgeweken. De inburgeraar kon dit aantonen door het overleggen van een door de taalschool opgemaakte 64-uursverklaring. In dergelijke gevallen hoefde de inburgeraar alleen een portfolio ter beoordeling in te leveren bij de DUO en volgde er geen eindgesprek.

Het bestuur van [bedrijf 1] .
[bedrijf 1] is op 6 december 2017 opgericht door haar bestuurders [bedrijf 3] en [verdachte] . De bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] bestonden – zakelijk weergegeven – uit studiebegeleiding, vorming en onderwijs voor anderstaligen ten behoeve van de inburgering.
Beide bestuurders waren gezamenlijk bevoegd tot het nemen van bestuurdersbeslissingen. [verdachte] trad op 1 december 2018 uit zijn functie als bestuurder. In zijn plaats kwam [bedrijf 2] als bestuurder en aandeelhouder. Deze bestuurder was ook gezamenlijk bevoegd. Vanaf 1 februari 2019 trad [bedrijf 2] uit haar functie als bestuurder. Hiermee werd [bedrijf 3] zelfstandig bevoegd om bestuurdersbeslissingen te nemen.
De aandelen van [bedrijf 2] werden op 3 juni 2019 overgenomen door [bedrijf 4] Op 8 april 2020 treedt [bedrijf 3] uit haar functie als bestuurder en wordt [bedrijf 4] enig aandeelhouder en zelfstandig bevoegd tot het nemen van bestuurdersbeslissingen.

Beoordeling feit 1. Heeft [bedrijf 1] zich (telkens) schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte?
In totaal heeft [bedrijf 1] voor de door haar gegeven cursussen € 3.731.349,26 ontvangen van de DUO. Dit bedrag ziet op de cursussen ALFA, A1, A2, B1, B2, de ONA-cursus en overige cursussen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [bedrijf 1] opzettelijk valse facturen heeft gebruikt om gelden van de DUO te kunnen verkrijgen. De vraag of de facturen vals zijn hangt in grote mate af van de vraag of [bedrijf 1] bewust geen (volwaardig) inburgeringsonderwijs aanbood en/of met cursisten samenwerkte om gelden van DUO te ontvangen zonder dat daar het gefactureerde onderwijs tegenover stond.
De rechtbank merkt op dat uit het dossier blijkt dat er wel enige (online) lessen werden gegeven binnen [bedrijf 1] . Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen is de rechtbank evenwel van oordeel dat, náást de legitieme bedrijfsvoering van [bedrijf 1] , twee verschillende kenmerkende frauduleuze werkwijzen werden gehanteerd. Uit deze werkwijzen blijkt dat binnen [bedrijf 1] beleid werd gevoerd met betrekking tot het factureren voor cursisten die nooit de intentie of mogelijkheid hadden om (volwaardig) inburgeringsonderwijs te volgen. De rechtbank zal deze twee werkwijzen nader toelichten.
Frauduleuze werkwijze 1. Er werd geen (volwaardig) inburgeringsonderwijs gegeven.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [bedrijf 1] diverse cursussen bewust nooit of slechts in zeer beperkte mate heeft gegeven. Uit de bewijsmiddelen komt deze frauduleuze werkwijze met name naar voren bij de zogenoemde ONA-cursussen, waar cursisten met een 64-uursverklaring en gevulde portfolio voor konden slagen. Deelnemers volgden geen cursus, maar werden expliciet gevraagd om gezamenlijk financieel te profiteren van de DUO-lening. [bedrijf 1] kreeg maximaal € 1.250,00 per kwartaal per inburgeraar van de DUO. De inburgeraar ontving (in de regel) van dit bedrag (een) cadeaukaart(en) van de Mediamarkt tot € 350,00.
Deze frauduleuze werkwijze blijkt uit tapgesprekken van [medewerker 1] , een medewerker van [bedrijf 1] , waarin [medewerker 1] onder meer zegt “wij hebben een groep, maar niet compleet, zij hebben niet altijd les (…) met de ONA, de leerlingen gaan samenkomen met de leraar en bespreken de zaken en ehhh.. klaar.” En “dan moet hij de kaartjes invullen, hij krijgt 64 uur, betaalt 1250, krijgt 350 aan tegoedbonnen en vertrekt dan.. en de ONA is dan geslaagd.”
[cursist 6] heeft verklaard dat het klopt dat hij en [medewerker 1] een overeenkomst sloten om de beschikbare gelden van zijn DUO-lening te gebruiken voor gezamenlijk financieel profijt Hij verklaart dat nadat [bedrijf 1] het resterende geld van de DUO-lening had ontvangen hij de Mediamarkt kaarten opgestuurd zou krijgen. Hij had via Facebook van iemand gehoord dat dit op deze manier geregeld kon worden met [bedrijf 1] . Daarnaast verklaart hij dat hij op één dag in Amsterdam meerdere handtekeningen met verschillende pennen heeft gezet voor zijn aanwezigheid op meerdere cursusdagen van de ONA-cursus.
Ook de docent van [cursist 6] , [getuige 1] heeft – geconfronteerd door de verbalisanten – verklaard dat het een samenwerking is tussen de school en de cursisten, dat hij nooit in Amsterdam is geweest om les te geven, dat hij met [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) had afgesproken dat hij aan iedere ONA-cursist slechts 3 uur les zou geven en dat hij niet – zoals op presentielijst DOC-023-71 was weergegeven - aan 21 cursisten tegelijk in één klas les heeft gegeven.
Het bestaan van deze werkwijze wordt verder ondersteund door verklaringen van andere cursisten. Zo verklaart [cursist 7] – onder meer – dat hij geen les heeft gehad en dat hij op één dag een presentielijst met verschillende pennen moest ondertekenen en dat hij gezien heeft dat anderen dit ook deden. [cursist 8] heeft ook verklaard helemaal geen les te hebben gehad. [cursist 9] verklaarde voor cursussen A1 en A2 helemaal geen les te hebben gehad en voor ONA slechts zes tot zeven uur les te hebben gehad op één dag. Zij heeft ook verklaard dat zij voorafgaand aan de ONA-cursus met ‘Kenan’, waarvan de rechtbank begrijpt dat dit [medewerker 1] betreft, had gebeld om te bespreken hoe zij kon profiteren van de nog openstaande gelden op haar DUO-lening.
Uit de verschillende verklaringen maakt de rechtbank op dat er voor de ONA-cursussen met cursisten werd afgesproken dat [bedrijf 1] in plaats van het geven van 64 lesuren, de cursist op één dag(deel) naar een locatie moesten komen om op diverse presentielijsten handtekeningen te zetten en om het portfolio te (laten) invullen. Door het invullen van de presentielijsten werd de indruk gewekt dat zij 64 uur les hadden gevolgd, terwijl dit dus in werkelijkheid niet zo was. Door deze werkwijze werd het mogelijk gemaakt om voor de cursus te slagen met een valse 64-uurs verklaring. [bedrijf 1] declareerde bij DUO per kwartaal € 1.250,- voor ONA-onderwijs, terwijl dat onderwijs feitelijk dus niet werd gegeven.
Frauduleuze werkwijze 2. [bedrijf 1] bood wel een online cursus aan. Sommige cursisten namen deel, maar veel cursisten niet.
[bedrijf 1] bood ook online cursussen aan aan cursisten. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat in veel gevallen bij deze andere cursussen voor substantieel meer cursisten is gefactureerd bij de DUO dan cursisten die daadwerkelijk de cursus (kunnen) hebben gevolgd.
Zo is er voor de cursussen met als kenmerk “A1 online A”, “A1 online D” en “A1 online E” een totaalbedrag van € 133.520,06 gefactureerd en uitbetaald door de DUO. Dit terwijl uit de persoonlijke aanwezigheidsregistratie van de docente van deze cursussen, getuige Vogt-Bosch, blijkt dat een groot deel van de cursisten waarvoor is gefactureerd in het geheel niet aanwezig is geweest. Het gaat dan om een totaalbedrag van € 53.646,50 aan facturen, oftewel 40,18% van het totaal.
De juistheid van de aanwezigheidsregistratie van [docent 1] wordt ondersteund door verschillende verklaringen van cursisten. [cursist 10] verklaart dat hij alleen de cursus Alfabet heeft gevolgd terwijl [bedrijf 1] namens hem een factuur bij de DUO heeft ingediend voor de cursus A1 Online D. [cursist 11] verklaart dat hij door technische problemen nooit een online les heeft kunnen volgen. Dit terwijl hij de problemen steeds bleef melden aan [bedrijf 1] . Voor hem is desondanks een factuur ingediend bij de DUO door [bedrijf 1] voor de door [docent 1] gegeven cursus A1 online E.
Een soortgelijke analyse is door de onderzoekers gemaakt ten aanzien van de groepen B1-B, B1-C, B1-D, B1-A, B-16/B1-F, B1-6/B1-G, B1-8, B1-9, B-10, B-11, B2 online C en B2-1. Hieruit blijkt dat bij elke groep vele cursisten op geen enkele wijze ingelogd zijn geweest tijdens hun cursus. Zij hebben dus nooit online taallessen gevolgd. Voor alle B-cursussen is in totaal € 449.192,85 ontvangen van de DUO. Daarvan is € 345.711,75 (bijna 77%) afkomstig van facturen waarbij de desbetreffende cursist nooit heeft ingelogd. Zo zijn namens [cursist 9] ten aanzien van één cursus (B1-B) drie facturen ingediend bij de DUO. Dit terwijl hij geen enkel uur heeft ingelogd bij deze cursus of een andere soortgelijke cursus. Ook bij de cursussen ONA1, ONA4 en ONA8 zijn vele cursisten nooit online ingelogd geweest. Hiervoor is door [bedrijf 1] in totaal € 125.933,55 gefactureerd aan en betaald door de DUO. Hiervan is € 35.536,00 (28%) ontvangen zonder dat de desbetreffende cursist ooit heeft ingelogd.
Voorts blijkt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen dat [bedrijf 1] factureerde voor cursisten waarvan op basis van de inloggegevens kan worden vastgesteld dat zij slechts zeer beperkt aanwezig waren. Het gaat dan om een zodanig geringe hoeveelheid inloggen, dat niet kan worden gesproken van het daadwerkelijk volgen van de cursus. Bij de cursussen B1-A, B1-B, B1-C, B1-D, B1-6/B1-F, B1-7/B1-G, ONA1, ONA4 en ONA8 is van de in totaal voor deze cursussen € 575,126,40 een bedrag van € 46,092,20 (8%) door [bedrijf 1] aan de DUO gefactureerd op grond van cursisten die zeer beperkt aanwezig zijn geweest.
De hiervoor omschreven aantallen maken dat de rechtbank concludeert dat een groot deel van de cursisten zich heeft ingeschreven bij [bedrijf 1] zonder dat zij les hebben gevolgd of kunnen hebben gevolgd. Immers zijn een groot deel van de cursisten nooit ingelogd geweest om de cursus te kunnen volgen. Daarnaast zijn er ook cursisten geweest die slechts een zeer beperkt aantal uren hebben ingelogd. De rechtbank zal nu ingaan op de vraag of het ten aanzien van deze cursisten de bedoeling is geweest van [bedrijf 1] om hen te faciliteren in het opsouperen van hun DUO-leningen voor gezamenlijk financieel profijt.
De intenties van [bedrijf 1] ten aanzien van de twee werkwijzen.
De rechtbank merkt op dat het in zijn algemeenheid zo kan zijn dat een inburgeraar een les (gedeeltelijk) niet volgt door ziekte of andere onvoorziene omstandigheden. De rechtbank is evenwel op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat dit geen verklaring betreft voor de bij [bedrijf 1] aanwezige percentage van afwezigheid.
Ten eerste weegt voor de rechtbank in dat verband mee dat zeer stelselmatig is gefactureerd voor cursisten die ofwel geheel afwezig waren ofwel een zeer beperkt aantal uren aan cursus hebben gevolgd. In het geval van de onderzochte B1 en B2 cursussen heeft minder dan een kwart van de facturen betrekking op op studenten die daadwerkelijk op enig moment hebben ingelogd en dus enig lesuur hebben kunnen volgen. Dat staat naar het oordeel van de rechtbank in geen verhouding tot de door [bedrijf 1] gegeven verklaring, dat cursisten nu eenmaal soms niet komen opdagen voor een cursus.
Ten tweede blijkt uit het dossier in het geheel niet dat [bedrijf 1] op enig moment is overgegaan tot het attenderen van cursisten op hun afwezigheid bij een cursus: er zijn juist cursisten waar meerdere cursussen voor zijn gedeclareerd, zonder dat is gebleken van aanwezigheid op één van die cursussen.
Ten derde blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank dat [bedrijf 1] bewust zo veel mogelijk cursisten aantrok zonder de intentie om volwaardig inburgeringsonderwijs te volgen.
Zo verklaart [cursist 6] dat hij via Facebook en zijn omgeving had gehoord dat [bedrijf 1] niet moeilijk doet en dat je niet in de les hoeft te komen. [cursist 10] verklaart dat [bedrijf 1] maar één doel had en dat was geld incasseren bij de DUO. In een telefoongesprek tussen [medewerker 1] en [cursist 9] op 13 november 2019 bespreken zij hoeveel gelden er nog resteren van de DUO-lening van deze cursist en wie op welke wijze daarvan kunnen profiteren. Dit komt ook overeen met de verklaringen van docenten. [getuige 1] verklaarde dat het [bedrijf 1] alleen maar om het geld te doen is en dat als leerlingen niet komen er toch voor ze wordt afgetekend. [docent 2] verklaarde zelfs dat zij bij één van de lessen van een door haar gegeven cursus in het geheel geen respons kreeg van de paar wél ingelogde online cursisten. Toen zij een uur eerder stopte met lesgeven heeft zij hier nooit iets over gehoord van de cursisten of van [bedrijf 1] .
De verklaringen van de betrokken docenten maken ook duidelijk dat [bedrijf 1] de aanwezigheid van cursisten niet door de docenten liet registreren. [docent 1] verklaarde onder meer:
“(…)het aantal leerlingen wat ik op mijn lijst had, heb ik nooit op mijn scherm gehad. Dat klopte helemaal niet. Stel ik had een klas met 12 mensen dan zaten er zo vier a vijf cursisten niet in.”[docent 2] verklaarde dat zij de aanwezigheid niet hoefde te registreren vanuit [bedrijf 1] . [docent 3] verklaarde dat hij voor de ONA-cursussen helemaal geen aanwezigheid heeft bijgehouden omdat dit van [bedrijf 1] niet hoefde. [docent 4] verklaarde hij dat hij maar één keer een presentielijst had gekregen en de aan- of afwezigheid verder niet hoefde door te geven. [docent 5] verklaarde dat zij, als haar in oktober gevraagd werd om een presentielijst bij te houden zij deze lijst pas in november kreeg en dat [bedrijf 1] in het begin helemaal niet vroeg om presentielijsten. Daarnaast verklaarde zij dat zij een aan haar getoonde deelnemerslijst niet herkende, dat zij überhaupt geen ONA-cursussen heeft gegeven en dat ze ook nooit zoveel mensen in één klas heeft gehad als op de getoonde deelnemerslijst staan. 46 cursisten in één klas is volgens haar ook niet mogelijk.
De rechtbank acht het zeer opmerkelijk dat er binnen de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] geen werkwijze bestond met betrekking tot het registreren van de aanwezigheid van de cursisten. Dit geldt in het bijzonder voor de ONA-cursussen nu zij als cursusinstelling ook op een verantwoorde wijze 64-uursverklaringen voor cursisten moeten kunnen afgeven. Het ligt voor de hand dat de docent, wie bij uitstek zicht had op de daadwerkelijke deelnemers van de cursussen, een aanwezigheidslijst zou moeten bijhouden. Daar komt nog bij dat onder meer [twee docenten] een aanzienlijk deel van de inhoud van de aan hen voorgehouden administratie van [bedrijf 1] niet kunnen onderschrijven.
Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [bedrijf 1] bewust een beleid heeft gevoerd waarvan de hiervoor genoemde twee frauduleuze werkwijzen een kernonderdeel waren. Om deze werkwijzen administratief gezien te kunnen verantwoorden heeft zij diverse presentielijsten gemanipuleerd. Op basis van deze lijsten heeft zij opzettelijk voor cursisten bij de DUO gefactureerd waarvan zij wist dat zij nooit enige intentie hadden om een les te volgen of gevolgd hebben. Nu [bedrijf 1] hiervan wist had zij ook geen enkele intentie om volwaardig inburgeringsonderwijs aan te bieden.
De rechtbank is van oordeel dat een factuur waarop is opgenomen dat een bepaald aantal uren les is of zal worden gegeven, terwijl er nooit een intentie is geweest om volwaardig les te geven, geen weergave is van de werkelijkheid danwel de werkelijke civiele verhouding. Daarmee zijn die facturen, anders dan door de verdediging bepleit, naar het oordeel van de rechtbank vals.
Specifiek voor de in de tenlastelegging opgenomen facturen overweegt de rechtbank aanvullend als volgt.
De factuur van [cursist 1] (eerste gedachtestreepje).
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] door middel van de tweede werkwijze deze valse factuur opzettelijk heeft gebruikt als ware echt en onvervalst. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat deze cursist in het geheel niet heeft ingelogd voor de desbetreffende cursus. Voor deze cursist is ook voor deelname aan een ONA-cursus gefactureerd die zou zijn gegeven in Zwolle, terwijl [cursist 1] op dat moment woonachtig was aan de andere kant van Nederland, in Leiden. De rechtbank acht het aannemelijk dat [cursist 1] (ook) deze cursus niet daadwerkelijk heeft gevolgd en dat hij derhalve door [bedrijf 1] voor cursussen werd ingeschreven zonder de intentie die daadwerkelijk te volgen.
De factuur van [cursist 2] (tweede gedachtestreepje).
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] middels de eerste werkwijze deze valse factuur bewust opzettelijk heeft gebruikt als ware echt en onvervalst. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat de cursist op geen enkele wijze heeft ingelogd om de online cursus te kunnen volgen. Voor deze cursist is bovendien een zogenoemde 64-uursverklaring afgegeven, waarmee [bedrijf 1] – in strijd met de waarheid – verklaart 64 uur aan hem te hebben gegeven, wat de intentie om bij de facturatie te frauderen naar het oordeel van de rechtbank nog extra bevestigt.
De factuur van [cursist 3] (derde gedachtestreepje)
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] deze factuur middels de tweede werkwijze opzettelijk heeft gebruikt als ware deze echt en onvervalst.
Voor de conclusie dat het daarbij nooit de intentie is geweest dat [cursist 3] deze cursus zou gaan volgen, hecht de rechtbank, aanvullend op het feit dat hij 0 keer heeft ingelogd en de hiervoor in zijn algemeenheid aangehaalde omstandigheden bij [bedrijf 1] , er waarde aan dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze factuur één van drie voor deze cursist ingediende facturen betreft, terwijl al die facturen betrekking hebben op dezelfde cursus (B1), en terwijl [cursist 3] in totaal nul uur heeft ingelogd bij deze cursus.
De factuur van [cursist 4] (vierde gedachtestreepje),
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] deze factuur middels de tweede werkwijze opzettelijk heeft gebruikt als ware deze echt en onvervalst. Voor deze cursist zijn twee facturen ingediend terwijl de cursist geen enkel deel van de cursussen heeft kunnen volgen. Zij heeft nooit op één van de cursussen ingelogd. [cursist 10] heeft zelf ook verklaard dat zij geen A1 lessen heeft gevolgd bij [bedrijf 1] .
De factuur van [cursist 5] (vijfde gedachtestreepje)
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] deze factuur middels de tweede werkwijze opzettelijk heeft gebruikt als ware deze echt en onvervalst. Van de 51 cursisten waarvoor uit de cursusgroep van [cursist 5] declaraties bij DUO zijn ingediend, hebben 36 cursisten niet één keer ingelogd, 8 cursisten zijn tussen de 0 en 8 uur online geweest en geen enkele cursist heeft de cursus volledig gevolgd. Voor [cursist 5] is een factuur ingediend terwijl hij niet één keer op de cursus is ingelogd.

Tussenconclusie feit 1: valsheid in geschrifte
Uit de omstandigheid dat [bedrijf 1] op telkens nagenoeg dezelfde wijze facturen bij de DUO heeft ingediend voor cursisten die nooit of slechts zeer beperkt een inburgeringscursus hebben gevolgd, trekt de rechtbank de conclusie dat [bedrijf 1] nooit de bedoeling heeft gehad deze cursisten een volwaardige inburgeringscursus aan te bieden. [bedrijf 1] stond hier ook om bekend en besprak deze mogelijkheden ook met cursisten, zo blijkt uit diverse tapgesprekken. Daarmee verwerpt de rechtbank ook het verweer van de verdediging dat cursisten zelf verantwoordelijk zijn voor het daadwerkelijk volgen van de inburgeringscursus en dat het niet volgen van zo’n cursus niet aan [bedrijf 1] kan worden toegerekend. Daaruit vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat – op het moment dat [bedrijf 1] de facturen met deze wetenschap aan de DUO verzond – sprake was van het gebruik maken van valse facturen.

Beoordeling feit 2. Heeft [bedrijf 1] zich schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen?
De bankrekening van [bedrijf 1] werd vrijwel uitsluitend gevoed door inkomsten vanuit de DUO.

Frauduleus handelen heeft geleid tot valse facturering bij de DUO bij de door verbalisanten onderzochte cursussen
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [bedrijf 1] door middel van de hiervoor beschreven frauduleuze werkwijzen valse facturen aan de DUO verzonden.
In reactie op het verweer van de verdediging dat niet kan worden bewezen verklaard dat er vaker fraude is gepleegd dan bij de in de tenlastelegging opgenomen zes facturen, overweegt de rechtbank als volgt.
Zoals hiervoor reeds overwogen, is gebleken dat er bij de online cursussen die zijn onderzocht een zeer groot percentage van de cursisten niet, of zeer beperkt, heeft ingelogd. Daarnaast is gebleken dat er presentatielijsten van fysieke cursussen zijn vervalst, dat cursisten ingeschreven hebben gestaan voor ONA-cursussen die op zeer grote afstand woonden van de cursuslocatie, dat docenten die de cursussen gaven daar nooit bij aanwezig hadden kunnen zijn omdat zij gelijktijdig op andere locaties werden verwacht en dat dus, kort samengevat, bij [bedrijf 1] een beleid heeft bestaan waar de frauduleuze werkwijzen onderdeel van uitmaakten. Dat reikt derhalve verder dan de onder feit 1 tenlastegelegde valse facturen.

Extrapolatie vanaf de onderzochte cursussen naar het overige onderwijs binnen [bedrijf 1]
De ‘steekproef’ die door de verbalisanten is uitgevoerd heeft betrekking op een aan de DUO gefactureerd bedrag van € 708.646,46. Het totaal gefactureerde bedrag voor de cursussen ONA, A1/A2 en Ba/B2 is € 3.036,413,11. Er is dus ruim 23% van de facturen in de ‘steekproef’ betrokken. Anders dan door de verdediging is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat dit percentage ruim voldoende is om aan te nemen dat het een representatief beeld geeft voor de gehele organisatie van [bedrijf 1] . De rechtbank sluit dan ook aan bij de door de onderzoekers uitgevoerde extrapolatie op basis van de onderzochte cursussen.
De rechtbank maakt hier een uitzondering op voor wat betreft de cursussen ‘ALFA’ en ‘overig’. Geen van deze cursussen is individueel onderzocht. Om die reden acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat ook bij deze cursussen structureel is gedeclareerd op basis van valse facturen. De rechtbank zal deze cursussen dan ook verder buiten beschouwing laten.

Vermenging
[bedrijf 1] heeft op basis van declaraties voor de cursussen A1, A2, B1, B2 en ONA in totaal € 3.036,413,38 ontvangen van de DUO. Hiervan is (op basis van extrapolatie) ongeveer een bedrag van € 1.668.177,10 ontvangen door [bedrijf 1] voor cursisten die geen onderwijs hebben gevolgd.
Er vonden daarnaast ook legitieme inburgeringscursussen plaats bij [bedrijf 1] waarvoor legale gelden zijn ontvangen. Die inkomsten van [bedrijf 1] zijn vermengd geraakt met het uit eigen misdrijf afkomstig geld.
Er is geen groot tijdsverloop tussen de ontvangsten van de geldbedragen op basis van valse facturen en de overboekingen naar medeverdachten, en het had een structureel karakter. Verder zijn er geen andere noemenswaardige inkomsten die op legale wijze zouden zijn verkregen. En in elk geval is er sprake van een zodanig groot deel van de inkomsten die van misdrijf afkomstig is dat op grond van vermenging kan worden vastgesteld dat alle uitgaven die [bedrijf 1] heeft gedaan gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn.
Bestemming van de gelden
In totaal is gedurende de tenlastegelegde periode € 1.145.435,98 onder meer overgedragen vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] naar [bedrijf 3] , [verdachte] , [bedrijf 2] , [bedrijf 4] en [medeverdachte 1] .
De rechtbank concludeert dat gedeeltelijk uit een strafbaar feit afkomstig geld door [bedrijf 1] is ontvangen, dat [bedrijf 1] dit geldbedrag heeft omgezet en er gebruik van heeft gemaakt. Dit betekent dat het onder feit 2 sub b ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Uit de reeds hiervoor beschreven hoeveelheden en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat [bedrijf 1] van deze witwashandelingen een gewoonte heeft gemaakt.
Geen verhullingshandelingen.
[bedrijf 1] heeft diverse omschrijvingen zoals “dividend (plus)”, “winstvoorschot”, “management fee” en/of “lening” gebruikt bij het overboeken van het in totaal hiervoor genoemde bedrag van € 1.145.435,98. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat [bedrijf 1] door het gebruik van deze omschrijvingen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing van voormeld bedrag van € 1.145.435,98 niet heeft verborgen of heeft verhuld. Het enkel gebruiken van deze omschrijvingen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te spreken van verhullingshandelingen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf 1] van het onder feit 2 sub a ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Tussenconclusie feit 2: witwassen.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen.

Het daderschap van een rechtspersoon.
Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Kunnen de strafbare feiten worden toegerekend aan [bedrijf 1] ?
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen plaats vonden in de sfeer van [bedrijf 1] . Die gedragingen zoals deze hierna zijn bewezenverklaard pasten in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1] en zijn dienstig geweest aan het door [bedrijf 1] uitgeoefende bedrijf. [bedrijf 1] heeft ook steeds de gedragingen aanvaard door op geen enkele wijze maatregelen te treffen om uit te sluiten dat gedragingen in strijd met de geldende regelgeving zouden worden verricht.

Beoordeling feit 3: Heeft [bedrijf 2] zich schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen?
Uit al hetgeen hiervoor is overwogen en uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt zonder meer dat [bedrijf 2] een met crimineel vermogen vermengd geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en gebruik van heeft gemaakt. Gelet op de stelselmatigheid van de overboekingen is er zonder meer sprake geweest van gewoontewitwassen.

Kan het witwassen worden toegerekend aan [bedrijf 2] ?
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen plaats vonden in de sfeer van [bedrijf 2] De gedragingen, zijnde het beheren van het gedeeltelijk uit strafbare feiten verkregen geldbedrag van [bedrijf 1] , pasten in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 2] en zijn aan haar dienstig geweest. Dit betekent dat het witwassen aan haar kan worden toegerekend.

Is er sprake van medeplegen (ten aanzien van feit 1, 2 en 3)?
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de hiervoor gegeven bijzondere bewijsoverwegingen blijkt dat [bedrijf 1] haar frauduleuze werkwijzen samen en in vereniging met anderen heeft uitgevoerd. In elk geval heeft [bedrijf 1] nauw en bewust samengewerkt met cursistenwerver [medewerker 1] en met cursisten waarvan [bedrijf 1] wist dat zij niet daadwerkelijk een cursus gingen volgen.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat bij hetgeen hierna bewezen is verklaard onder feit 1 sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De rechtbank acht het tenlastegelegde medeplegen ten aanzien van feiten 2 en 3 niet bewezen nu uit de bewijsmiddelen niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijf 1] en een ander (buiten de feitelijk leidinggevers, waarmee niet medegepleegd kan worden in juridische zin). Hetzelfde geldt voor [bedrijf 2]

Het feitelijk leidinggeven door verdachte aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
Gelet op de hiervoor gegeven conclusies komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersonen. De rechtbank overweegt dat feitelijk leidinggeven vaak zal bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid.
De rol van verdachte binnen [bedrijf 2]
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte is sinds haar oprichting enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] en is daarnaast de enige belanghebbende van de gelden die door de rechtspersoon worden beheerd. Alle beslissingen van deze vennootschap kunnen redelijkerwijs door geen ander dan verdachte genomen zijn.
De rol van verdachte binnen [bedrijf 1]
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte heeft samen met medebestuurder [bedrijf 3] opgericht.
De stelling van de verdediging dat verdachte sinds de oprichting slechts beperkte werkzaamheden voor [bedrijf 1] heeft verricht acht de rechtbank niet aannemelijk nu er vele indicaties zijn dat verdachte een actieve betrokkenheid en een belangrijke positie had binnen [bedrijf 1] . Zo geniet verdachte, op medeverdachte [medeverdachte 2] na, het meeste financiële voordeel uit zijn bestuurdersfunctie binnen [bedrijf 1] . Immers heeft hij in totaal (gedeeltelijk via zijn holding) € 421.600,-- ontvangen van [bedrijf 1] . Het is een feit van algemene bekendheid dat tegenover een dergelijk financieel voordeel uit een bestuurdersfunctie ook verantwoordelijkheden en werkzaamheden staan.
Ook verklaren werkzame personen binnen [bedrijf 1] dat verdachte een belangrijke positie in het bedrijf innam. Volgens [medeverdachte 2] waren het verdachte en [medeverdachte 1] die fysiek aanwezig waren op kantoor. Verdachte werkte daar samen met [medeverdachte 1] . Getuige [getuige 3] , die ook door verdachte als administratief werknemer is aangenomen, heeft verklaard dat [medeverdachte 1] directeur werd toen verdachte voor zichzelf begon en dat Alyaseen de leiding van verdachte
overnam. Dit betekent dat verdachte daarvoor de leiding had. Ook een ander administratief medewerker, getuige Gawra, heeft verklaard dat zij opdracht kreeg van verdachte. Ten slotte verklaarde getuige Khanjar dat de kleine beslissingen werden genomen door [medeverdachte 1] maar de grote beslissingen werden besproken met verdachte en met medeverdachte [medeverdachte 2] .
Na verloop van tijd heeft verdachte zich steeds meer teruggetrokken uit het bedrijf. Om die reden stopt de tenlastegelegde periode bij verdachte ook eerder dan bij zijn medeverdachten. Een deel van de hierboven aangehaalde getuigenverklaringen en cursussen hebben nog doorgelopen, of zijn aangevangen, na de tijd dat verdachte als (indirect) bestuurder en aandeelhouder geregistreerd stond bij het bedrijf. Omdat het exacte moment van terugtrekking uit het bedrijf diffuus is, de frauduleuze werkwijzen doorlopend werden gehanteerd – ook al in de periode dat verdachte bestuurder was, de tapgesprekken van ná de periode dat verdachte bestuurder was bij het bedrijf dateren maar wel extra inzichtelijk maken dat de in de administratie zichtbare gebreken te verklaren waren door de intentie binnen [bedrijf 1] om te frauderen, heeft de rechtbank er voor gekozen ook de bewijsmiddelen uit die periode in de zaak tegen verdachte te hanteren. Dat verdachte minder prominent naar voren komt in deze tapgesprekken is naar het oordeel van de rechtbank te verklaren doordat de start van de tapgesprekken ligt nadat verdachte een stap terug heeft gedaan binnen [bedrijf 1] . Dit maakt dus niet dat daarmee gezegd kan worden dat verdachte in de periode daaraan voorafgaand geen leidinggevende rol heeft gehad. Ook de verklaring van [getuige 2] , die pas bij het bedrijf is begonnen nadat verdachte daar al geen bestuurder meer was, acht de rechtbank van belang. Zij verklaarde dat het verdachte was die haar onder druk zette om haar werkzaamheden snel af te ronden. Deze werkzaamheden zagen op het verduidelijken van de bestaande betalingsverplichtingen van [bedrijf 1] . [getuige 2] verklaarde dan ook dat verdachte ‘gewoon het geld wou zien’ en dat hij zich met [bedrijf 1] bemoeide omdat [medeverdachte 1] de leiding niet wilde nemen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte wist dat er frauduleuze werkwijzen werden gehanteerd binnen [bedrijf 1] . Allereerst is er sprake van een dermate stelselmatig fraudepatroon dat dit elke bestuurder die zich met de gang van zaken binnen het bedrijf zou bemoeien, zoals verdachte heeft gedaan, moet zijn opgevallen. Zoals hiervoor reeds is overwogen bemoeide verdachte zich intensief met de facturen, gaf hij opdrachten aan de administratie en had hij een leidinggevende rol. Er werden geen presentielijsten gebruikt bij de cursussen, docenten klaagden over het gebrek aan deelnemers in de (online) klassen maar daar werd geen actie op ondernomen en er werd gefactureerd voor veel meer cursisten dan zich in de (fysieke en online) lessen bevonden. De door verdachte verdiende bedragen hadden bovendien nooit uitgekeerd kunnen worden zonder de binnen het bedrijf gepleegde fraude.
Verdachte had gelet op het voorgaande feitelijke zeggenschap binnen [bedrijf 1] , en het kan niet anders zijn dan dat hij heeft geweten van de fraude die zich binnen [bedrijf 1] afspeelde. De verboden gedragingen van [bedrijf 1] zijn dermate vervlochten met de legitieme bedrijfsvoering dat de strafbare feiten het onvermijdelijke gevolg zijn van het algemene, mede door de verdachte als bestuurder gevoerde beleid. Op zijn minst genomen heeft verdachte, terwijl hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was, geen maatregelen getroffen ter voorkoming of beëindiging van de verboden gedragingen. Hiermee heeft verdachte feitelijk leidinggegeven aan de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] verrichte verboden gedragingen.

Slotconclusie.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1, 2 onder b en 3 onder b tenlastegelegde feiten bewezen zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

4.De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
[bedrijf 1] . op tijdstippen in de periode van 18 mei 2018 tot en met 1 februari 2019 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse factuur, te weten
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 1] , met factuurnummer 511, d.d. 1 mei 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro en,
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 2] , met factuurnummer 614, d.d. 1 juli 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro en,
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 3] , met factuurnummer 890, d.d. 10 oktober 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro en,
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 4] ( [cursistnummer] ), met factuurnummer 2399, d.d. 10 december 2018 voor een bedrag van 1.250,00 euro en,
  • De factuur van [bedrijf 1] ten behoeve van [cursist 5] , met factuurnummer 2457, d.d. 10 januari 2019 voor een bedrag van 1.250,00 euro

-elk- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken -zakelijk weergegeven- hierin dat: [bedrijf 1] . en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n), toen aldaar, voornoemde valse facturen aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft verzonden en/of verstrekt ten behoeve van de uitbetaling hiervan aan [bedrijf 1] ., aan welke verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

ten aanzien van feit 2:
[bedrijf 1] . op tijdstippen in de periode van 21 mei 2018 tot en met 31 oktober 2018 in Nederland, een geldbedrag van in totaal 79.600,00 heeft omgezet en van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl [bedrijf 1] . telkens wist, dat dat geldbedrag (telkens) -onmiddellijk of middellijk- ten dele, afkomstig was uit enig misdrijf, en aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
ten aanzien van feit 3:
[bedrijf 2] op tijdstippen in de periode van 13 november 2018 tot en met 3 mei 2019, in Nederland, een geldbedrag van in totaal 342.000,00 euro heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet en van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl [bedrijf 2] telkens wist, dat dat geldbedrag (telkens) -onmiddellijk of middellijk- ten dele, afkomstig was uit enig misdrijf, en aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

5.De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

7.De oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
De officier van justitie heeft tevens een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht in haar strafoplegging rekening te houden met de ernstige overschrijding van de redelijke termijn, de gevolgen die het voortduren van de strafzaak voor verdachte heeft gehad, de belangen van zijn gezin en zijn, aldus de verdediging, beduidend kleinere rol in het geheel.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten.
[bedrijf 1] heeft, terwijl zij mede door verdachte werd aangestuurd, een groot aantal valse facturen ingediend bij de DUO. Aan de hand van deze facturen is de DUO overgegaan tot uitbetaling aan verdachte in een omvang waar [bedrijf 1] geen recht op had. Door de handelwijze van [bedrijf 1] is de DUO en daarmee de overheid in financiële zin benadeeld en heeft [bedrijf 1] het vertrouwen van de overheid geschaad en de integriteit van de overheid misbruikt. [bedrijf 1] heeft, mede onder leiding van verdachte en samen met haar medeverdachten, op grote schaal misbruik gemaakt van het leningsstelsel voor inburgeraars.
De winsten uit dit misbruik heeft hij (met tussenkomst van zijn holding) aan zichzelf toegekend. Daarmee hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Witwassen, zeker op een dergelijk grote schaal, is een ernstig misdrijf waardoor de inkomsten uit misdrijven in het legale betalingsverkeer worden gebracht. Dit is een gevaar voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Bovendien worden deze inkomsten daarmee aan het zicht van justitie onttrokken. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit financieel gewin.
[bedrijf 1] heeft, mede onder het bewind van verdachte, de bewezenverklaarde feiten gedurende een lange periode gepleegd. Daarmee heeft [bedrijf 1] aanzienlijk financieel voordeel verkregen. Van dat bedrag is ruim € 400.000,- witgewassen door het naar het bedrijf en de privé persoon van verdachte over te boeken.
[bedrijf 1] was een professionele speler in het veld van het verzorgen van inburgeringscursussen. Dat [bedrijf 1] , mede onder feitelijke leiderschap van verdachte, op deze wijze stelselmatig opzettelijk misbruik heeft gemaakt van het lening stelsel dat juist is bedoeld om inburgeraars een goede start te geven in de Nederlandse samenleving, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Anders dan door de verdediging gesteld is de rechtbank van oordeel dat verdachte op geen enkele wijze een beperkte rol heeft gespeeld binnen de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] . Verdachte heeft immers het initiatief genomen om [bedrijf 1] op te richten en heeft samen met zijn medeverdachten een frauduleus beleid tot stand gebracht en uitgevoerd. Verdachte heeft bovendien ook een fors financieel voordeel genoten.
De persoon van de verdachte.
De rechtbank heeft voor wat betreft de persoon van de verdachte acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 6 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de ter terechtzitting door verdachte toegelichte persoonlijke omstandigheden.
De redelijke termijn en de ouderdom van de feiten.
Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in de periode van 18 mei 2018 tot en met 8 april 2020. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop tot aan dit vonnis geheel of gedeeltelijk aan de verdediging is toe te rekenen. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt.
De rechtbank neemt de doorzoeking bij [bedrijf 1] op 25 juni 2020 als aanvangsmoment voor de redelijke termijn. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met 3 jaar en 5 maanden is overschreden. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met deze forse termijnoverschrijding en verdisconteren in (de duur van) de door haar gekozen strafmodaliteit.
De strafmodaliteit.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt. De persoonlijke omstandigheden van verdachte maken dit niet anders. De rechtbank zal, mede gelet op de ernstige overschrijding van de redelijke termijn, bepalen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil hiermee enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte ter voorkoming van het opnieuw plegen van een strafbaar feit door verdachte.
De conclusie
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat
passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zonder overschrijding van de redelijke termijn had de rechtbank hem een gevangenisstraf opgelegd van 20 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
Tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 51, 57, 225, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9.DE UITSPRAAK

De rechtbank:
-
verklaarthet tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
-
verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
-
verklaartdat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:
ten aanzien van feit 1:
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in art. 225 lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
ten aanzien van feit 2:
feitelijk leidinggeven aan gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon
ten aanzien van feit 3:
feitelijk leidinggeven aan gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon
-
verklaartverdachte hiervoor strafbaar en
legt opde volgende straf:
Een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jarenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.C. Palmboom, voorzitter,
mr. M. Langstraat en mr. S.H.C. Merkx, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 25 november 2025.