ECLI:NL:RBOBR:2025:7717

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
82.008738.25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafzaak tegen verdachte wegens overtredingen van de Wet Dieren met betrekking tot de verzorging van runderen

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere overtredingen van de Wet Dieren. De rechtbank heeft vastgesteld dat tijdens inspecties door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 13 augustus 2024, 12 februari 2025 en 23 juni 2025 ernstige tekortkomingen zijn geconstateerd in de verzorging van runderen door de verdachte. De verdachte heeft niet voldaan aan de wettelijke eisen voor de behuizing, verzorging en voeding van de dieren, wat heeft geleid tot onnodig lijden en letsel bij de runderen. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan de overtredingen en heeft een maatregel opgelegd die inhoudt dat de verdachte gedurende vijf jaar geen runderen mag houden. Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard, met ingang van vier weken na de uitspraakdatum. De rechtbank heeft geen straf opgelegd, maar heeft wel rekening gehouden met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De vorderingen van de officier van justitie met betrekking tot eerdere voorwaardelijke veroordelingen zijn afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van deze straffen niet langer opportuun is gezien de opgelegde maatregel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 82-008738-25, 82-095478-25 en 82.207287.25 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 20-000087-23 en 82-132334-23
Datum uitspraak: 25 november 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1960] ,
wonende te [woonadres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 november 2025.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 6 oktober 2025. Aan verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte) is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 82-008738-25:
hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, althans
in Nederland,
als houder van dieren, te weten runderen, al dan niet opzettelijk,
de bij of krachtens het Besluit houders van dieren gestelde regels heeft overtreden,
die betrekking hebben op onder meer de ruimte of het terrein waar dieren worden
gehouden en/of de wijze waarop de dieren worden gehouden en/of de verzorging,
de behandeling, het africhten, de voedering en de drenking van dieren (artikel 2.2,
tiende lid, sub b, c en/of d Wet dieren), immers:
A
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken
over een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden,
aangezien
de stallen (hok 1,3 en 4 van stal A en stal C22) vervuild waren met mest en urine
en/of uit de uiers gelekte melk en/of die runderen geen beschikking hadden over
een droge en/of schone ligplaats en/of waren de vachten van die runderen
besmeurd met mest (procesdossier p. 10, fotobijlage p. 13 en 14);
(artikel 1.7, aanhef en onder d Besluit houders van dieren);
en/of
B
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen die permanent of
geregeld werden aangebonden, beschikten over voldoende ruimte voor diens
fysiologische en ethologische behoeften, aangezien
de bewegingsruimte van die runderen werd beperkt door korte aanbindkettingen
en/of die runderen hun natuurlijke uitzwaaibeweging niet konden maken en/of
deze runderen hun natuurlijke poets- en lik-gedrag niet konden uitvoeren en/of
niet gelijktijdig konden beschikken over een geschikte ligplaats (procesdossier p.

11 en 16);

(artikel 2.3 Besluit houders van dieren)

en/of
C
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken
over voer en drinken, op een wijze waardoor de dieren geen onnodig lijden of
letsel werd toegebracht, aangezien door de wijze van voeren meerdere althans een
of meer runderen, met de nekken de voerbomen en/of een stalen buis raakten bij
het reiken naar voer, met als gevolg dat deze runderen beschadigingen opliepen
aan hun nek (procesdossier p. 12);
(artikel 2.4, zevende lid Besluit houders van dieren)
zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een
bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid Wet dieren aangewezen
soorten of categorieën worden gehouden;
Parketnummer 82-095478-25:
hij op of omstreeks 12 februari 2025 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, althans
in Nederland,
als houder van dieren, te weten runderen, al dan niet opzettelijk.
de bij of krachtens het Besluit houders van dieren gestelde regels heeft overtreden,
die betrekking hebben op onder meer de ruimte of het terrein waar dieren worden
gehouden en/of de verzorging, de behandeling, het africhten, de voedering en de
drenking van dieren (artikel 2.2, tiende lid, sub b en/of d Wet dieren), immers:
A
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken
over een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden,
aangezien
de stallen vervuild waren met mest en urine en/of die runderen geen beschikking
hadden over een droge en/of schone ligplaats en/of waren de vachten van die
runderen besmeurd met mest (procesdossier p. 10 en veterinaire verklaring p. 18)
(artikel 1.7, aanhef en onder d Besluit houders van dieren);
en/of
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat een of meerdere runderen konden
beschikken over een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op
een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen, aangezien de
waterbak (in hok 17 van stal C) vervuild was met mestresten en/of in dit hok geen
andere drinkvoorziening aanwezig was
(procesdossier p. 11 en 16 en veterinaire verklaring p. 19)
(artikel 1.7, aanhef en onder f Besluit houders van dieren);
en/of
B
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken
over voer en drinken, op een wijze waardoor de dieren geen onnodig lijden of
letsel werd toegebracht, aangezien door de wijze van voeren meerdere althans een
of meer runderen, met de nekken de voerbomen en/of een stalen buis raakten bij
het reiken naar voer, met als gevolg dat deze runderen beschadigingen opliepen
aan hun nek (procesdossier p. 11 en 15, veterinaire verklaring p. 21);
(artikel 2.4, zevende lid Besluit houders van dieren)
zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een
bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid Wet dieren aangewezen
soorten of categorieën worden gehouden;
Parketnummer 82-207287-25:
hij, op of omstreeks 23 juni 2025 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, althans in Nederland,
als houder van dieren, te weten runderen, al dan niet opzettelijk,
de bij of krachtens het Besluit houders van dieren gestelde regels heeft overtreden, die betrekking hebben op onder meer de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden en/of de verzorging, de behandeling, het africhten, de voedering en de drenking van dieren (artikel 2.2, tiende lid, sub b en/of d Wet dieren), immers:
A
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken over een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien
de stallen vervuild waren met mest en/of die runderen geen beschikking hadden over een droge en/of schone ligplaats en/of waren de vachten van die runderen besmeurd met mest (procesdossier p. 11 en veterinaire verklaring p. 23-25, 28)
(artikel 1.7, aanhef en onder d Besluit houders van dieren);
en/of
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen die ziek of gewond lijken onmiddellijk op passende wijze werden verzorgd, aangezien
runderen (in stal C) lange en/of krullende en/of kruisende klauwen hadden,
(procesdossier p. 12 en 18 en veterinaire verklaring p. 25 en 28)
(artikel 1.7, aanhef en onder c Besluit houders van dieren)
en/of
B
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken over voer en drinken, op een wijze waardoor de dieren geen onnodig lijden of letsel werd toegebracht, aangezien door de wijze van voeren meerdere, althans een of meer runderen, met de nekken de voerbomen en/of een stalen buis raakten bij het reiken naar voer, met als gevolg dat deze runderen beschadigingen opliepen aan hun nek (procesdossier p. 11, veterinaire verklaring p. 23-26);

(artikel 2.4, zevende lid Besluit houders van dieren)

zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen.

20-000087-23.
De zaak met parketnummer 20-000087-23 is aangebracht bij vordering van 16 oktober 2025. Deze vordering heeft betrekking op het arrest van de economische kamer van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 26 juli 2024 waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 4.000,- met een proeftijd van 2 jaren.
82-132334-23.
De zaak met parketnummer 82-132334-23 is aangebracht bij vordering van 13 oktober 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 april 2024 waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een voorwaardelijke
stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijswaardering.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier heeft aangevoerd dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft betoogd dat:
(Parketnummer: 82-008738-25)
  • van een overtreding van artikel 1.7, onder d, van het Besluit houders van dieren geen sprake is geweest op 13 augustus 2024,
  • ten onrechte aan verdachte ten laste is gelegd dat enkele dieren over onvoldoende ‘kettingruimte’ beschikten voor hun fysiologische en ethologische behoeften (artikel 1.7, onder d, van het Besluit houders van dieren),
  • niet wettig en overtuigend vast is komen staan dat artikel 2.4, lid 7, van het Besluit houders van dieren op 13 augustus 2024 is overtreden.
(Parketnummer: 82-095478-25)
  • van een overtreding van artikel 1.7, onder d, van het Besluit houders van dieren geen sprake is geweest op 12 februari 2025,
  • ten onrechte aan verdachte ten laste is gelegd dat hij artikel 1.7, onder f, van het Besluit houders van dieren heeft overtreden, omdat verdachte al de aanwezige watervoorzieningen elke dag controleert en schoonmaakt, alsmede dat hij de jonge runderen daarnaast tweemaal per dag handmatig van extra drinken voorziet,
  • niet wettig en overtuigend vast is komen staan dat artikel 2.4, lid 7, van het Besluit houders van dieren op 12 februari 2025 is overtreden.
(Parketnummer: 82.207287.25)
  • van een overtreding van artikel 1.7, onder d, van het Besluit houders van dieren geen sprake is geweest op 23 juni 2025,
  • ten onrechte aan verdachte ten laste is gelegd dat hij artikel 1.7, onder c, van het Besluit houders van dieren heeft overtreden,
  • niet wettig en overtuigend vast is komen staan dat artikel 2.4, lid 7, van het Besluit houders van dieren op 23 juni 2025 is overtreden.
Verdachte dient van deze onderdelen (partieel) vrijgesproken te worden, aldus de verdediging.
Het oordeel van de rechtbank.
A.
De bewijsmiddelen
In bijlage I heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
B.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Verdachte wordt onder de hiervoor genoemde parketnummers – kort gezegd – verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van bepalingen uit artikel 2.2. van de Wet Dieren.
Op 13 augustus 2024, 12 februari 2025 en 23 juni 2025 hebben bij het bedrijf van verdachte aan de [adres] inspecties plaatsgevonden door inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Van hun bevindingen hebben zij telkens een proces-verbaal opgemaakt. Met betrekking tot de inspecties van 12 februari 2025 en 23 juni 2025 is daarnaast ook telkens een veterinaire verklaring opgesteld door een toezichthoudend dierenarts bij de NVWA.
De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van de bevinden van de inspecteurs en de dierenarts te twijfelen.
De rechtbank zal de feiten hierna gezamenlijk bespreken. Bij de bespreking van de feiten zal de rechtbank beginnen met de onderdelen waarvan zij verdachte partieel vrij zal spreken.

Partiële vrijspraken:

Toereikende hoeveelheid water, artikel 1.7, aanhef en onder f van het Besluit houders van dieren (parketnummer 82-095478-25: gedachtestreepje 2 onder A).
Onder dit deel van de tenlastelegging wordt verdachte – kort gezegd – verweten dat hij er niet voor heeft gezorgd dat zijn runderen konden beschikken over een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan hun behoefte aan water konden voldoen. Dit zou komen doordat de waterbak (in hok 17 van stal C) vervuild was met mestresten en in dit hok geen andere drinkvoorziening aanwezig was. De inspecteurs van de NVWA stellen vast dat de betreffende waterbak vervuild was met mestresten en dat er geen andere voorziening was om te kunnen drinken in dit hok.
Dat de drinkvoorziening ten tijde van de inspectie niet afdoende was, staat niet ter discussie. De rechtbank kan echter niet uitsluiten dat de drinkvoorziening gedurende de dag wel voldoende was. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de runderen ook nog twee keer per dag handmatig water geeft. Op deze manier zouden de runderen toch op een andere wijze aan hun behoefte aan water kunnen voldoen. Uit de regelgeving blijkt niet dat er op elk moment van de dag water beschikbaar moet zijn. De rechtbank zal verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Zorg dragen voor zieke of gewonde runderen, artikel 1.7, aanhef en onder c van het Besluit houders van dieren (parketnummer 82.207287.25: gedachtestreepje 2 onder A).
Onder dit deel van de tenlastelegging wordt verdachte – kort gezegd – verweten dat hij er geen zorg voor gedragen heeft dat meerdere runderen die ziek of gewond
lijken onmiddellijk op passende wijze werden verzorgd, aangezien runderen (in stal C) lange en/of krullende en/of kruisende klauwen hadden. De inspecteurs van de NVWA stellen vast dat meerdere runderen lange/kruisende voorklauwen hadden en bij meerdere runderen het onderhoud aan de achterklauwen achterstallig was. Ook de toezichthoudend dierenarts stelt vast bij vele runderen op de grupstal de klauwen te lang waren en begonnen te krullen. De dierenarts heeft hierover verklaard: “de te lange klauwen zorgen voor een onnatuurlijke houding wat voor fysiek ongemak en mogelijk voor verdere gezondheidsproblemen zorgt bij de runderen”.
Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee buiten twijfel dat het hebben van lange/krullende/kruisende klauwen bij de runderen fysiek ongemak veroorzaakt, maar dat betekent nog niet dat gezegd worden dat deze runderen ‘ziek of gewond lijken’. Nu niet aan dit bestandsdeel van de tenlastelegging is voldaan zal de rechtbank verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.
De volgende feiten acht de rechtbank – op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen –
wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaarde feiten:

Toereikende behuizing, artikel 1.7, aanhef en onder d van het Besluit houders van dieren (parketnummers 82-008738-25, 82-095478-25 en 82.207287.25: gedachtestreepje 1 onder A).
Bij voornoemde inspecties wordt telkens geconstateerd dat meerdere runderen – kort gezegd – niet over een toereikende behuizing konden beschikken onder voldoende hygiënische omstandigheden. Samengevat wordt gerelateerd dat in een deel van de stallen/hokken de vloer grotendeels vies en nat is van mest en urine, dat de runderen geen mogelijkheid hadden om op de weinige drogere gedeelten van de vloeren te gaan liggen en dat de vachten van de runderen (vooral aan de poten en buik) aangekoekt waren met mest. Bij meerdere runderen waren plakkaten mest met vacht en al afgebroken, waardoor kale geïrriteerde huidplekken zichtbaar waren. Deze bevindingen zijn tevens in beeld gebracht op de bij de processen-verbaal gevoegde foto’s.
Op 12 februari 2025 en 23 juni 2025 is ook de dierenarts ter plaatse geweest. Deze relateert met betrekking tot 12 februari 2025 dat sprake was van veel opstapeling van mest op de roosters in meerdere hokken, dat de runderen verplicht werden om in de mest te gaan liggen omdat er geen schone ligplaats beschikbaar was en dat het stro in twee hokken nat en bevuild was met mest over het hele hok. Op 23 juni 2025 stelde de dierenarts bevuiling vast aan de achterkant en aan de onderzijde van de romp van enkele runderen. De algemene hygiëne op het bedrijf was nog steeds onvoldoende.
De rechtbank acht dit onderdeel van de respectievelijke tenlasteleggingen op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen.
Onnodig lijden of letsel, artikel 2.4, lid 7, van het Besluit houders van dieren (parketnummers 82-008738-25: gedachtestreepje 1 onder C en 82-095478-25 en 82.207287.25: gedachtestreepje 1 onder B).
Bij voornoemde inspecties wordt telkens geconstateerd dat meerdere runderen – kort gezegd – niet konden beschikken over voer en drinken op een wijze waardoor de dieren geen onnodig lijden of letsel werd toegebracht. Samengevat wordt gerelateerd dat de runderen in een deel van de stallen/hokken hun kop tussen de kering en een stalen buis door moesten steken om te kunnen eten. De afstand tussen de kering en de buis was zodanig klein dat de runderen hierbij met hun nek/schoft tegen deze buis aan duwden. De runderen in deze hokken hadden kaalgeschuurde plekken en schoftbulten.
Op 23 juni 2025 is ook de dierenarts ter plaatse geweest. Deze relateert dat de runderen met hun nek tegen de buis schuurden op de plaats waar ze wonden hadden. Volgens de dierenarts kunnen runderen zich verwonden als het voerhek slecht is geconstrueerd, zoals in dit geval. Deze gebrekkige constructie van het voerhek leidt tot schaafwonden aan de nek en schouders van de runderen.
De rechtbank acht dit onderdeel van de respectievelijke tenlasteleggingen op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen.
Fysiologische en ethologische behoeften, artikel 2.3 van het Besluit houders van dieren (parketnummer 82-008738-25: gedachtestreepje 1 onder B).
Bij de inspectie op 13 augustus 2024 is geconstateerd dat meerdere runderen permanent of geregeld werden aangebonden, zodanig dat zij niet beschikten over voldoende ruimte voor hun fysiologische en ethologische behoeften. Gerelateerd wordt dat bij meerdere runderen een touw om de nek geknoopt was en de runderen hiermee waren aangebonden aan zogenaamde staken. De lengte van de aanbindkettingen was bij de meeste runderen heel kort (15 tot 20 centimeter, als ook langere kettingen tot 30 centimeter), waardoor deze runderen heel erg beperkt waren in hun bewegingsruimte. Hierdoor kunnen de runderen bij het gaan staan en liggen niet de natuurlijke uitzwaaibeweging met de kop naar voren maken. Dit kan lijden tot stress en blessures bij de runderen. Daarnaast konden de runderen hun natuurlijke poets- en lik-gedrag niet uitvoeren. Runderen likken zichzelf bij jeuk en voor de vachtverzorging. Verder wordt gerelateerd dat een deel van de runderen door de wijze van aanbinden niet kon beschikken over een geschikte ligplaats. Zo bedroeg de beschikbare ruimte voor meerdere runderen nog geen meter per rund. Dit is veel te weinig voor de runderen om comfortabel en in een natuurlijke lighouding te kunnen liggen.
De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen.
Opzet en “In de uitoefening van een bedrijfwaar dieren van krachtens artikel 2.3, lid 2, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden”
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich als houder van de runderen in de door hem gedreven onderneming, zijnde een eenmanszaak, bewust was van elk van de hiervoor beschreven, bewezenverklaarde gedragingen. Daarmee heeft de verdachte die gedragingen opzettelijk begaan.
De bewezenverklaarde gedragingen vonden plaats in de eenmanszaak van de verdachte, een veehouderijbedrijf aan [adres] . Runderen vallen op grond van artikel 2.3 tweede lid van de Wet dieren jo. artikel 2.1 van het Besluit houders van dieren onder de als productiedieren aangewezen soorten of categorieën. Daarmee zijn de bewezenverklaarde gedragingen begaan in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, lid 2, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het voren overwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:
Parketnummer 82-008738-25:
hij op 13 augustus 2024 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam,
als houder van dieren, te weten runderen, opzettelijk,
de bij of krachtens het Besluit houders van dieren gestelde regels heeft overtreden,
die betrekking hebben op onder meer de ruimte of het terrein waar dieren worden
gehouden en/of de wijze waarop de dieren worden gehouden en/of de verzorging,
de behandeling, het africhten, de voedering en de drenking van dieren (artikel 2.2,
tiende lid, sub b, c en/of d Wet dieren), immers:
A
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken
over een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden,
aangezien
de stallen (hok 1,3 en 4 van stal A en stal C22) vervuild waren met mest en urine
en/of uit de uiers gelekte melk en/of die runderen geen beschikking hadden over
een droge en/of schone ligplaats en/of waren de vachten van die runderen
besmeurd met mest (procesdossier p. 10, fotobijlage p. 13 en 14);
(artikel 1.7, aanhef en onder d Besluit houders van dieren);
en
B
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen die permanent of
geregeld werden aangebonden, beschikten over voldoende ruimte voor diens
fysiologische en ethologische behoeften, aangezien
de bewegingsruimte van die runderen werd beperkt door korte aanbindkettingen
en die runderen hun natuurlijke uitzwaaibeweging niet konden maken en
deze runderen hun natuurlijke poets- en lik-gedrag niet konden uitvoeren en
niet gelijktijdig konden beschikken over een geschikte ligplaats (procesdossier p.
11 en 16);
(artikel 2.3 Besluit houders van dieren)
en
C
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken
over voer en drinken, op een wijze waardoor de dieren geen onnodig lijden of
letsel werd toegebracht, aangezien door de wijze van voeren meerdere althans een
of meer runderen, met de nekken de voerbomen en/of een stalen buis raakten bij
het reiken naar voer, met als gevolg dat deze runderen beschadigingen opliepen
aan hun nek (procesdossier p. 12);
(artikel 2.4, zevende lid Besluit houders van dieren)
zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een
bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid Wet dieren aangewezen
soorten of categorieën worden gehouden;
Parketnummer 82-095478-25:
hij op 12 februari 2025 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam,
als houder van dieren, te weten runderen, opzettelijk.
de bij of krachtens het Besluit houders van dieren gestelde regels heeft overtreden,
die betrekking hebben op onder meer de ruimte of het terrein waar dieren worden
gehouden en/of de verzorging, de behandeling, het africhten, de voedering en de
drenking van dieren (artikel 2.2, tiende lid, sub b en/of d Wet dieren), immers:
A
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken
over een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden,
aangezien
de stallen vervuild waren met mest en urine en/of die runderen geen beschikking
hadden over een droge en/of schone ligplaats en/of waren de vachten van die
runderen besmeurd met mest (procesdossier p. 10 en veterinaire verklaring p. 18)
(artikel 1.7, aanhef en onder d Besluit houders van dieren);
en
B
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken
over voer en drinken, op een wijze waardoor de dieren geen onnodig lijden of
letsel werd toegebracht, aangezien door de wijze van voeren meerdere althans een
of meer runderen, met de nekken de voerbomen en/of een stalen buis raakten bij
het reiken naar voer, met als gevolg dat deze runderen beschadigingen opliepen
aan hun nek (procesdossier p. 11 en 15, veterinaire verklaring p. 21);
(artikel 2.4, zevende lid Besluit houders van dieren)
zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een
bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid Wet dieren aangewezen
soorten of categorieën worden gehouden;
Parketnummer 82-207287-25:
hij op 23 juni 2025 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam,
als houder van dieren, te weten runderen, opzettelijk,
de bij of krachtens het Besluit houders van dieren gestelde regels heeft overtreden, die betrekking hebben op onder meer de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden en/of de verzorging, de behandeling, het africhten, de voedering en de drenking van dieren (artikel 2.2, tiende lid, sub b en/of d Wet dieren), immers:
A
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken over een toereikende behuizing onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien
de stallen vervuild waren met mest en/of die runderen geen beschikking hadden over een droge en/of schone ligplaats en/of waren de vachten van die runderen besmeurd met mest (procesdossier p. 11 en veterinaire verklaring p. 23-25, 28)
(artikel 1.7, aanhef en onder d Besluit houders van dieren);
en
B
- heeft verdachte geen zorg gedragen dat meerdere runderen konden beschikken over voer en drinken, op een wijze waardoor de dieren geen onnodig lijden of letsel werd toegebracht, aangezien door de wijze van voeren meerdere, althans een of meer runderen, met de nekken de voerbomen en/of een stalen buis raakten bij het reiken naar voer, met als gevolg dat deze runderen beschadigingen opliepen aan hun nek (procesdossier p. 11, veterinaire verklaring p. 23-26);
(artikel 2.4, zevende lid Besluit houders van dieren)
zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de stillegging van de onderneming van verdachte voor de duur van één jaar geëist. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorlopige maatregel, inhoudende een houdverbod voor verdachte voor het bedrijfsmatig houden van dieren, met ingang van vier weken na uitspraakdatum, geëist.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft betoogd dat in het geval van een bewezenverklaring rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals genoemd in de pleitnota ten aanzien van parketnummer 82-095478-25. Volstaan dient te worden met de oplegging van een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere overtredingen van de Wet dieren. Bij inspecties van 13 augustus 2024, 12 februari 2025 en 23 juni 2025 is vastgesteld dat verdachte niet de zorg heeft gegeven aan zijn runderen die op grond van geldende wet- en regelgeving vereist is. De inspecteurs van de NVWA hebben diverse misstanden geconstateerd op het bedrijf van verdachte. Gebleken is dat runderen niet over een toereikende behuizing konden beschikken onder voldoende hygiënische omstandigheden. In een deel van de stallen/hokken was de vloer vies en nat van mest en urine, waardoor de runderen geen mogelijkheid hadden om droog te gaan liggen. De vachten van de runderen (vooral aan de poten en buik) waren aangekoekt met mest. Ook is gebleken dat meerdere runderen zichzelf moesten bezeren en verwonden om bij het voer en drinken te kunnen door de manier waarop het voer en drinken werd aangeboden. Er waren runderen die permanent of geregeld werden aangebonden aan zulke korte aanbindkettingen dat zij niet konden beschikken over voldoende ruimte voor hun fysiologische en ethologische behoeften.
Als veehouder is verdachte verantwoordelijk voor de zorg van zijn dieren. Hij heeft de zorg voor het leven en de leefomstandigheden van zijn dieren en hij moet ervoor zorgen dat de dieren op een zodanige wijze gehouden worden dat aan het streefniveau van het dierenwelzijn wordt voldaan. Verdachte heeft met zijn handelen het welzijn van zijn dieren ernstig benadeeld en de gezondheid van deze dieren in gevaar gebracht. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie van
26 september 2025 omtrent verdachte, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen 5 jaren meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Zo zijn aan verdachte eerder een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke stillegging van de onderneming, alsmede een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 4.000,-. De oplegging van deze eerdere (voorwaardelijke) straffen hebben er niet toe geleid dat verdachte is gestopt met het overtreden van de Wet dieren. Integendeel, uiteen aanvullend proces-verbaal blijkt dat op 6 oktober 2025 (enkele maanden na de bewezenverklaarde feiten) wederom een inspectie heeft plaatsgevonden door inspecteurs van de NVWA op het bedrijf van verdachte. Ook toen zijn er weer dezelfde misstanden geconstateerd. De toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft deze bevindingen bevestigd en heeft daarnaast geconstateerd dat meerdere dieren ernstig ziek waren. Zo hadden meerdere kalveren al langere tijd diarree en had een rund een sterk ontstoken wond van een keizersnede en een ander een chronische uierontsteking. De dierenarts concludeert: “ondanks vele eerdere inspecties waarbij de tekortkomingen werden aangewezen, stellen we steeds opnieuw dezelfde bevindingen vast.” en “de vastgestelde bevindingen zijn heel duidelijk structureel op het bedrijf”.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onderneming wordt stilgelegd voor de duur van een jaar en dat een voorlopige maatregel wordt opgelegd, inhoudende een houdverbod met ingang van vier weken na datum van het vonnis, als bedoeld in artikel 29 WED. De verdediging heeft daar – kort samengevat – tegenover gezet dat die maatregel haars inziens niet proportioneel is omdat de ernst van de overtredingen gerelativeerd moet worden en het houdverbod enorme impact zou hebben op het bedrijf en de persoon van de verdachte.
De rechtbank komt, alles afwegende, tot het oordeel dat een houdverbod in dit geval proportioneel en subsidiair is, afgezet tegen de belangen van de verdachte. De reden daarvoor is dat de rechtbank zich kan vinden in de hiervoor aangehaalde conclusie van de toezichthoudende dierenarts van 6 oktober 2025, namelijk dat sprake is van structurele tekortkomingen. Hierdoor is het welzijn van de dieren op het bedrijf van verdachte al jarenlang ver onder de maat. De dieren zijn voor een lange tijd verwaarloosd en hebben in een slechte toestand geleefd. De rechtbank gaat er niet van uit dat de tekortkomingen hun herkomst hebben in slechte intenties van verdachte, maar moet concluderen dat verdachte niet de zorg kan bieden die dieren nodig hebben.
De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan die de gezondheid en het welzijn van dieren benadeelt. Eerdere veroordelingen, inclusief nota bene een voorwaardelijke stillegging, hebben niet tot (afdoende) verbeteringen geleid. Ook ter terechtzitting van 11 november 2025 heeft verdachte er geen blijk van gegeven dat hij zijn eigen fouten en tekortkomingen inziet. Telkens wijst hij beschuldigend naar de NVWA.
Anders dan door de officier van justitie gevorderd, zal de rechtbank aan verdachte geen stillegging en voorlopige maatregel op grond van de WED, maar een houdverbod in de vorm van maatregel op grond van artikel 8.11a van de Wet dieren opleggen. Een houdverbod op grond van deze bepaling kan sinds 1 januari 2024 als zelfstandige maatregel worden opgelegd, ook aan een bedrijfsmatig houder, zoals een professioneel veehouder (
Zie beantwoording vragen door Minister Adema in Kamerstukken II 2022/2023, 35892, nr. 7, p. 80-7-35: ‘Dan is er gevraagd of de toepassing van het houdverbod bij veehouderijen ook geldt bij de professionele veehouders. Jazeker. Ook professionele veehouders hebben de opdracht en de verantwoordelijkheid om te zorgen voor het welzijn van hun dieren. Ook bij professionele veehouders komen misstanden voor en die kunnen we op deze manier aanpakken.’). Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het proportioneel en subsidiair dat wordt opgelegd een maatregel inhoudende dat verdachte vijf (5) jaren geen runderen mag houden (een houdverbod). Om dezelfde redenen wordt de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een strafbaar feit zal begaan dat de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren benadeelt.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de subsidiariteit vraagt om een termijn voor verdachte om de dieren zelf van de hand te doen en zijn economische belangen veilig te stellen. Daarom zal de rechtbank de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren met ingang van vier weken na de uitspraakdatum.
Gedragingen die in strijd zijn met artikel 8.11a van de Wet dieren worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.
Het voorgaande heeft vergaande consequenties voor verdachte, die feitelijk niet meer in staat zal zijn om zijn (werkzaam) leven vorm te geven zoals hij dat de voorgaande decennia heeft gedaan. De rechtbank acht het om die reden niet opportuun om naast het voorgaande nog een straf op te leggen, zodat overeenkomstig art. 9a Sr zal worden volstaan met het opleggen van genoemde maatregel.
Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordelingen met de parketnummers 20-000087-23 en 82-132334-23.
De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
De rechtbank zal de vorderingen evenwel afwijzen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen niet langer opportuun is gelet op de maatregel die in de onderhavige zaak wordt opgelegd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9a, 57 van het Wetboek van Strafrecht,
2.2, 2.3, 8.11a, 8.12 van de Wet dieren,
1.7, 2.3, 2.4 van het Besluit houders van dieren, en
1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. parketnummer 82-008738-25:
Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid onderdeel b, c of d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
T.a.v. parketnummer 82-095478-25:
Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid onderdeel b, c of d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
T.a.v. parketnummer 82.207287.25:
Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid onderdeel b, c of d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
bepaalt dat geen straf wordt opgelegd (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht).
Oplegging van maatregel:
legt op
een maatregel als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.11a Wet Dierenen beveelt dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – runderen zal houden, voor de duur van 5 jaren.
beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, met ingang van vier weken na uitspraakdatum.
Beslissing na voorwaardelijke veroordelingen:
wijst af de vordering met parketnummer 20-000087-23 van de officier van justitie van
16 oktober 2025.
wijst af de vordering met parketnummer 82-132334-23 van de officier van justitie van
13 oktober 2025.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.C. Tijink, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. R. ter Haar, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 25 november 2025.