Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 20-000087-23 en 82-132334-23
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
11 en 16);
(artikel 2.3 Besluit houders van dieren)
(artikel 2.4, zevende lid Besluit houders van dieren)
De vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen.
De formele voorvragen.
Bewijswaardering.
- van een overtreding van artikel 1.7, onder d, van het Besluit houders van dieren geen sprake is geweest op 13 augustus 2024,
- ten onrechte aan verdachte ten laste is gelegd dat enkele dieren over onvoldoende ‘kettingruimte’ beschikten voor hun fysiologische en ethologische behoeften (artikel 1.7, onder d, van het Besluit houders van dieren),
- niet wettig en overtuigend vast is komen staan dat artikel 2.4, lid 7, van het Besluit houders van dieren op 13 augustus 2024 is overtreden.
- van een overtreding van artikel 1.7, onder d, van het Besluit houders van dieren geen sprake is geweest op 12 februari 2025,
- ten onrechte aan verdachte ten laste is gelegd dat hij artikel 1.7, onder f, van het Besluit houders van dieren heeft overtreden, omdat verdachte al de aanwezige watervoorzieningen elke dag controleert en schoonmaakt, alsmede dat hij de jonge runderen daarnaast tweemaal per dag handmatig van extra drinken voorziet,
- niet wettig en overtuigend vast is komen staan dat artikel 2.4, lid 7, van het Besluit houders van dieren op 12 februari 2025 is overtreden.
- van een overtreding van artikel 1.7, onder d, van het Besluit houders van dieren geen sprake is geweest op 23 juni 2025,
- ten onrechte aan verdachte ten laste is gelegd dat hij artikel 1.7, onder c, van het Besluit houders van dieren heeft overtreden,
- niet wettig en overtuigend vast is komen staan dat artikel 2.4, lid 7, van het Besluit houders van dieren op 23 juni 2025 is overtreden.
De bewijsmiddelen
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Partiële vrijspraken:
Bewezenverklaarde feiten:
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van maatregel.
26 september 2025 omtrent verdachte, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen 5 jaren meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Zo zijn aan verdachte eerder een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke stillegging van de onderneming, alsmede een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 4.000,-. De oplegging van deze eerdere (voorwaardelijke) straffen hebben er niet toe geleid dat verdachte is gestopt met het overtreden van de Wet dieren. Integendeel, uiteen aanvullend proces-verbaal blijkt dat op 6 oktober 2025 (enkele maanden na de bewezenverklaarde feiten) wederom een inspectie heeft plaatsgevonden door inspecteurs van de NVWA op het bedrijf van verdachte. Ook toen zijn er weer dezelfde misstanden geconstateerd. De toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft deze bevindingen bevestigd en heeft daarnaast geconstateerd dat meerdere dieren ernstig ziek waren. Zo hadden meerdere kalveren al langere tijd diarree en had een rund een sterk ontstoken wond van een keizersnede en een ander een chronische uierontsteking. De dierenarts concludeert: “ondanks vele eerdere inspecties waarbij de tekortkomingen werden aangewezen, stellen we steeds opnieuw dezelfde bevindingen vast.” en “de vastgestelde bevindingen zijn heel duidelijk structureel op het bedrijf”.
Zie beantwoording vragen door Minister Adema in Kamerstukken II 2022/2023, 35892, nr. 7, p. 80-7-35: ‘Dan is er gevraagd of de toepassing van het houdverbod bij veehouderijen ook geldt bij de professionele veehouders. Jazeker. Ook professionele veehouders hebben de opdracht en de verantwoordelijkheid om te zorgen voor het welzijn van hun dieren. Ook bij professionele veehouders komen misstanden voor en die kunnen we op deze manier aanpakken.’). Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het proportioneel en subsidiair dat wordt opgelegd een maatregel inhoudende dat verdachte vijf (5) jaren geen runderen mag houden (een houdverbod). Om dezelfde redenen wordt de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een strafbaar feit zal begaan dat de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren benadeelt.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
een maatregel als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.11a Wet Dierenen beveelt dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – runderen zal houden, voor de duur van 5 jaren.
16 oktober 2025.
13 oktober 2025.