ECLI:NL:RBOBR:2025:7721

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
01.238825.22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Leider scouting Eindhoven veroordeeld voor misbruik van twee minderjarige meisjes

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 26 november 2025 een leider van scouting Eindhoven veroordeeld wegens ontuchtige handelingen met twee minderjarige meisjes die onder zijn zorg stonden. De feiten betreffen meerdere seksuele handelingen gepleegd in verschillende periodes tussen 2018 en 2022. De rechtbank baseerde haar oordeel op de verklaringen van de slachtoffers, die als betrouwbaar werden beoordeeld, en op aanvullend steunbewijs, waaronder WhatsApp-berichten en beschrijvingen van de woning van verdachte.

De verdediging voerde vrijspraak aan wegens vermeende onbetrouwbaarheid van de verklaringen en gebrek aan steunbewijs, maar dit werd verworpen. De rechtbank maakte gebruik van schakelbewijs om de verklaringen van de twee slachtoffers te ondersteunen, gezien de overeenkomsten in de wijze waarop het misbruik plaatsvond.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan de slachtoffers, respectievelijk €5.191,99 en €1.700,00, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank wees ook proceskosten toe en legde een schadevergoedingsmaatregel op ten behoeve van de slachtoffers.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en tot betaling van schadevergoedingen aan beide slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.238825.22]
Locatie ‘s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.238825.22
Datum uitspraak: 26 november 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 oktober 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op één of meer tijdstippen - als begeleider/leider/onderdeel van de leiding bij scouting [naam scouting] - in of omstreeks de periode van 19 februari 2018 tot en met 18 februari 2019 te Eindhoven, althans in Nederland,
(telkens) ontucht heeft gepleegd
met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [2001] ,
door
- met die [slachtoffer 1] te (tong)zoenen en/of
- de borsten en/of billen, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te betasten en/of
- zijn vinger(s) en/of penis in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen en/of te bewegen en/of
- zich te laten pijpen en/of aftrekken door die [slachtoffer 1] ;
T.a.v. feit 2:
hij op één of meer tijdstippen - als begeleider/leider/onderdeel van de leiding bij scouting [naam scouting] - in of omstreeks de periode van 1 december 2021 tot en met 12 april 2022 te Eindhoven, althans in Nederland,
met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [2006] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
buiten echt,
(telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
te weten
- het (tong)zoenen met die [slachtoffer 2] en/of
- het aanraken/betasten van de borsten en/of billen en/of vagina, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] en/of
- het kusjes geven op de buik en/of op de rand van de broek van die [slachtoffer 2] en/of
- het zitten met zijn mond aan de borsten van die [slachtoffer 2] en/of
- het laten aanraken/betasten van zijn, verdachtes, penis;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
Op zaterdag 30 april 2022 kwam er bij de politie een melding binnen dat de dochter van meldster ( [persoon] ) gedurende een periode was betast en was misbruikt door een leider van scouting [naam scouting] uit Eindhoven. Meldster gaf aan dat een 16-jarige vriendin van haar dochter ( [slachtoffer 3] ) ook slachtoffer was geworden van misbruik door deze leider. Naar aanleiding van de melding zijn verbalisanten ter plaatse gegaan en hebben zij met meldster, [persoon] en [slachtoffer 3] gesproken. Hierna werd de zaak overgedragen aan het team Zeden van de recherche. Na het plaatsvinden van de gebruikelijke ‘informatieve gesprekken zeden’ werd namens beide slachtoffers aangifte gedaan.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide aangiften voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier zodat de rechtbank kan komen tot een bewezenverklaring van beide feiten. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat voor de afzonderlijke aangiften onvoldoende steunbewijs aanwezig is, dan dient de rechtbank gebruik te maken van een schakelbewijsconstructie.
Het standpunt van de verdediging.
Door de raadsvrouw van verdachte is vrijspraak van beide feiten bepleit. De verklaringen van [persoon] en [slachtoffer 3] zijn volgens de verdediging onbetrouwbaar, nu deze tot stand kunnen zijn gekomen door ‘collaberative storytelling’. Bovendien is er onvoldoende steunbewijs, ook niet in de vorm van schakelbewijs.
Het oordeel van de rechtbank.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Juridisch kader.
De rechtbank merkt allereerst op dat het in zedenzaken regelmatig voorkomt dat verklaringen van het vermeende slachtoffer en van de verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan. Als de verdachte ontkent, zijn de verklaringen van het slachtoffer vaak het enige directe wettige bewijsmiddel. Bij de beoordeling van het bewijs kan op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 342 Wetboek Pro van Strafvordering (hierna: Sv) het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, echter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer. De verklaringen van het slachtoffer moeten voldoende steun vinden in ander bewijs in het dossier. Daarbij geldt dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. De vraag of aan het hiervoor beschreven bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Dit betekent dat – in een zaak als de onderhavige, waarin verdachte de tenlastegelegde feiten ontkent en er behalve de slachtoffers geen directe getuigen zijn van het verweten misbruik – de rechter eerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers moet beoordelen en vervolgens moet beoordelen of er voldoende steunbewijs voor deze verklaringen in het dossier aanwezig is. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan verder worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal; wel is vereist dat de verklaringen daaromtrent op wezenlijke onderdelen bevestigd worden in ander bewijsmateriaal en dat tussen een en ander een niet te ver verwijderd verband bestaat.
Steunbewijs kan veel verschillende vormen aannemen, ook de vorm van schakelbewijs. Bij schakelbewijs gaat het om een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij kan van belang zijn of, en in hoeverre, de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. Uit de rechtspraak volgt dat onder deze ‘omstandigheden’ niet alleen wordt begrepen de wijze waarop de delictshandelingen in engere zin zijn verricht, maar ook de context waarbinnen de feiten zich hebben toegedragen en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven. De overeenkomst van omstandigheden hoeft niet zover te gaan dat de feitencomplexen identiek zijn.
De redengevendheid van schakelbewijs dient voor de bewezenverklaring te worden beoordeeld in het licht van de hele bewijsvoering. Wanneer zowel het bestaan van een strafbaar feit als de betrokkenheid van verdachte enkel berust op schakelbewijs, zullen daaraan hogere eisen moeten worden gesteld dan wanneer ander bewijs aanwezig is en het schakelbewijs slechts een kleiner onderdeel is van de bewijsconstructie.
De rechtbank zal hieronder eerst toetsen of de verklaringen van [slachtoffer 3] en [persoon] betrouwbaar zijn. Vervolgens komt de vraag aan de orde in hoeverre er ondersteuning bestaat voor hun verklaringen, waarbij de rechtbank ingaat op het gebruik van schakelbewijs.
De betrouwbaarheid van de verklaringen.
De verklaringen van [persoon] zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende gedetailleerd en in de kern genomen consistent wat betreft de beschuldigingen. De rechtbank stelt vast dat [persoon] tijdens haar studioverhoor het meest uitgebreid heeft verklaard. Deze verklaring komt in grote lijnen overeen met hetgeen zij haar moeder heeft verteld op het moment dat zij het misbruik naar buiten bracht, met de notities die zijn aangetroffen in haar telefoon en met haar eerste verklaring tegenover de politie. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie en de verklaring van haar moeder blijkt verder dat zij hierbij passende emoties heeft laten zien. Dat haar verklaring op bepaalde punten niet bijzonder gedetailleerd is, is gelet op het tijdsverloop en de persoon van het slachtoffer, naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring te twijfelen.
De verklaring van [slachtoffer 3] is gedetailleerd en in de kern consistent. Ook zij heeft zowel ten overstaan van haar moeder als bij de politie in grote lijnen hetzelfde verklaard. Bij haar oordeel ten aanzien van de betrouwbaarheid betrekt de rechtbank tevens dat uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 3] in alle openheid heeft verklaard dat zij het contact met verdachte en de gestelde seksuele handelingen als prettig heeft ervaren, en zich later pas realiseerde dat dit verkeerd was.
Uit het dossier volgt dat [persoon] en [slachtoffer 3] voorafgaand aan de verklaringen aan hun ouders en de politie tijdens een scoutingkamp met elkaar hun ervaringen met verdachte hebben uitgewisseld. Juist dit contact heeft ervoor gezorgd dat eerst [persoon] en daarna ook [slachtoffer 3] over het misbruik door verdachte zijn gaan vertellen (in eerste instantie tegen hun moeder). De verklaringen van [persoon] en [slachtoffer 3] bevatten weliswaar duidelijk overeenkomsten, maar die zijn niet zodanig dat deze bij de rechtbank twijfels doen rijzen over de betrouwbaarheid daarvan. Tussen de verklaringen bestaan namelijk ook kenmerkende verschillen die wijzen op authenticiteit. Het grootste verschil betrof de houding van beiden. [slachtoffer 3] ’s beleving was in eerste instantie wezenlijk anders dan die van [persoon] – namelijk positief – en zij aarzelde dan ook enige tijd om aangifte te doen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de gesprekken met name het moment van naar buiten treden hebben beïnvloed en niet zozeer de inhoud van de verklaringen.
De rechtbank heeft verder in het strafdossier en ter zitting geen objectieve aanwijzingen gevonden die tot de conclusie zou moeten leiden dat de verklaringen van [persoon] en [slachtoffer 3] als onbetrouwbaar aangemerkt moeten worden.
Het verweer van de verdediging dat de verklaringen van [persoon] en [slachtoffer 3] als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt, wordt verworpen. De rechtbank merkt de verklaringen van [persoon] en [slachtoffer 3] concluderend aan als betrouwbaar.
Steunbewijs.
Schakelbewijs.
Nu de rechtbank uitgaat van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon] en [slachtoffer 3] , kunnen hun verklaringen over een weer dienen als steunbewijs in de vorm van schakelbewijs. De verklaringen van [persoon] en [slachtoffer 3] komen naar het oordeel van de rechtbank op essentiële punten (plaats, context, omstandigheden en handelwijze) overeen. In deze zaak is sprake van een tweetal verklaringen van minderjarige meisjes die allebei lid waren van dezelfde scoutingclub. Zij voerden in verschillende periodes zogenoemde ‘bardiensten’ uit met verdachte, hun leider bij de scouting (concreet betekende dit een bezoek aan de supermarkt met verdachte en het bijvullen van een koelkast op de scoutinglocatie). Bij [persoon] hebben de bardiensten plaatsgevonden gedurende ongeveer een jaar, van februari 2018 tot februari 2019 en bij [slachtoffer 3] gedurende vierenhalve maand in de periode van eind 2021 tot en met begin 2022. Het misbruik van [persoon] heeft blijkens haar verklaring plaatsgevonden vanaf november 2018.
Onder andere tijdens genoemde bardiensten vonden de ontuchtige handelingen plaats. De ontuchtige handelingen en de aanloop er naartoe vonden plaats onder vergelijkbare omstandigheden. Beide slachtoffers kregen eerst veel individuele aandacht van verdachte. Er was veel één-op-één WhatsAppverkeer, ondanks dat dit tegen de regels van de scouting was. Daarna volgden er afspraken onder de noemer van bardienst, waarbij er geleidelijk steeds verdergaande seksuele handelingen werden verricht. Het eerste initiatief hiervoor ging in beide gevallen van verdachte uit en beide slachtoffers werd ook op het hart gedrukt hierover niets tegen anderen te vertellen. Verdachte noemde beide slachtoffers ‘liefje’. Achteraf hebben beide slachtoffers zich gerealiseerd dat verdachte langzaamaan hun vertrouwen heeft gewonnen met als doel met hen seksuele handelingen te verrichten.
Steunbewijs [persoon] .
[persoon] heeft onder meer verklaard dat zij ten minste eenmaal door verdachte naar zijn huis is meegenomen en dat zij daar door hem is gezoend. Deze verklaring van [persoon] over (eenmalig) misbruik in de woning van verdachte wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door een proces-verbaal van bevindingen waarin door de politie een beschrijving van de woning van verdachte is gegeven die op belangrijke punten (gestoffeerde trap en witte keuken) overeenkomt met de beschrijving die [persoon] heeft gegeven.
Verdachte heeft ontkend dat hij [persoon] mee naar huis heeft genomen. Gelet op de beschrijving die [persoon] van de woning heeft gegeven en de hierbij genoemde details kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat zij in de woning is geweest. De verklaring van verdachte dat hij met [persoon] heeft gesproken over zijn woning/inrichting en dat zij verdere details van een foto op facebook moet hebben gehaald, schuift de rechtbank als onaannemelijk ter zijde. Daardoor wordt niet verklaard hoe [persoon] op de hoogte kon zijn van details die niet op de door de verdediging overgelegde Facebookfoto zichtbaar waren en die ook niet voor de hand liggen als gespreksonderwerp met een minderjarige.
Verder wordt de verklaring van [persoon] naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door WhatsApp-gesprekken die tussen verdachte en [persoon] hebben plaatsgevonden ná het eerdergenoemde scoutingweekend waarop [persoon] en [slachtoffer 3] hun ervaringen met verdachte met elkaar hebben gedeeld. In een whatsappgesprek met [persoon] op 25-26 april 2022 spreekt verdachte over fantasiën die hij heeft waarvan hij weet dat die nooit werkelijkheid zullen worden, waarop [persoon] reageert met: “
Maar wat er vroeger gebeurt is en er over heb nagedacht heb ik t nooit goed gevonden.”Verdachte reageert hierop met:
“Ik ook niet. Moest niet gebeuren. Sorry. Hopelijk heb je niet een hekel aan mij gekregen daardoor. Vergeef je me wel.”
Hoewel hieruit niet expliciet blijkt waarop zijn excuses betrekking hebben, komt de verklaring van verdachte dat dit te maken had met een Whatsappgesprek met [persoon] in de weken daarvoor de rechtbank onwaarachtig voor. Dit gesprek zou volgens verdachte gegaan zijn over verdachtes fantasie om nog een keer een trio te mogen meemaken; een gesprek waarvan hij zich later realiseerde dat het ongepast was om met [persoon] te voeren. [persoon] verwijst in haar bericht echter expliciet naar dingen die in het verleden gebeurd zijn, en niet naar een recent Whatsappgesprek. Een recent gesprek over trio’s trof de rechtbank ook niet aan in het dossier. Gelet op de inhoud en de timing van het Whatsappgesprek, en bij afwezigheid van een plausibele verklaring van verdachte, biedt dit gesprek – in samenhang met de andere bewijsmiddelen – naar het oordeel van de rechtbank steun voor de verklaring van [persoon] .
Steunbewijs [slachtoffer 3] .
Ook met betrekking tot de verklaring van [slachtoffer 3] vindt de rechtbank steun in de tussen haar en verdachte uitgewisselde WhatsAppberichten. Verdachte appt [slachtoffer 3] op 24 april 2022 (na het scoutingweekend): “
Vond het jammer dat we maar zo kort konden knuffelen”en op 26 april 2022 vindt het volgende gesprek plaats ( [verdachte] = verdachte, [slachtoffer 3] = [slachtoffer 3] ):
[slachtoffer 3] : Wou je gister nog appen nadat je klaar was met werken maar was al in slaap gevallen[verdachte] : Geeft niet :) voelde dat je aan me dacht. Stel je nou eens voor dat er een leuke man naast je lag ;)[slachtoffer 3] : Dan kom ik al helemaal niet meer uit ;)[verdachte] : Je wilt gewoon dat ik mijn mond voor iets anders gebruik he? Hahaah[slachtoffer 3] : Ook goedemorgen ;) ahhah[verdachte] : Werk ze liefje
De seksueelgetinte, suggestieve inhoud van deze berichten past bij de verklaring van [slachtoffer 3] dat zij en verdachte op dat moment een seksuele relatie hadden. In de telefoon van [slachtoffer 3] is verder een foto van verdachte aangetroffen waarop hij zichtbaar is met een ontbloot bovenlijf. In de telefoon van [slachtoffer 3] is ten slotte een foto van [slachtoffer 3] met deels bloot bovenlijf aangetroffen die overeenkomt met de beschrijving van een foto door [slachtoffer 3] waarvan zij zegt dat zij die aan verdachte heeft gestuurd.
De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring dat zijn uitspraken via Whatsapp te maken hadden met een
running jokeontstaan op een karaoke-avond en dat het versturen van zijn foto te maken had met [slachtoffer 3] ’s interesse in tatoeages. De tatoeages van verdachte zijn op de foto nauwelijks zichtbaar. Gelet op de inhoud van het Whatsappgesprek en de seksuele strekking van de aangetroffen foto’s, bieden dit gesprek en de foto’s – in samenhang met de andere bewijsmiddelen – naar het oordeel van de rechtbank steun voor de verklaring van [slachtoffer 3] .
Conclusie.
De rechtbank is op basis de feiten en omstandigheden die blijken uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor werd overwogen van oordeel dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen die in de bewijsbijlage zijn uitgewerkt, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1:
op tijdstippen - als leider bij scouting [naam scouting] - in de periode van 1 november 2018 tot en met 18 februari 2019 te Eindhoven, (telkens) ontucht heeft gepleegd
met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [2001] ,
door
- met die [slachtoffer 1] te (tong)zoenen en
- de borsten en billen, van die [slachtoffer 1] te betasten en
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen en/of te bewegen en
- zich te laten pijpen en aftrekken door die [slachtoffer 1] .
T.a.v. feit 2:
op tijdstippen - als leider bij scouting [naam scouting] - in de periode van 1 december 2021 tot en met 12 april 2022 te Eindhoven,
met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [2006] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
(telkens) buiten echt een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
te weten
- het (tong)zoenen met die [slachtoffer 2] en
- het aanraken/betasten van de borsten en billen en vagina, van die [slachtoffer 2] en
- het kusjes geven op de buik en op de rand van de broek van die [slachtoffer 2] en
- het zitten met zijn mond aan de borsten van die [slachtoffer 2] en
- het laten aanraken/betasten van zijn, verdachtes, penis.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk op te leggen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Bij eventuele strafoplegging dient rekening gehouden te worden met de gevolgen die onderhavige verdenkingen reeds hebben gehad. Verdachte is zijn werk kwijtgeraakt, heeft zijn emigratieplannen stil moeten leggen en is samen met zijn vrouw vanwege de stress ten gevolge van deze verdenking geweigerd voor een fertiliteitsbehandeling. Ook is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met twee minderjarige leden van de scoutinggroep waar verdachte leider van was. Er is met betrekking tot beide slachtoffers sprake geweest van het meermaals plegen van ontuchtige handelingen. Beide slachtoffers zijn betast en hebben verdachte moeten aanraken en zoenen. Met een van de slachtoffers is verdachte verdergegaan; hij heeft zich door haar laten aftrekken en pijpen. Ook heeft hij geprobeerd haar te penetreren.
Het eerste slachtoffer was zeventien jaar oud en het andere slachtoffer was pas vijftien jaar oud ten tijde van het misbruik. Er was sprake van een groot leeftijdsverschil tussen verdachte en de beide slachtoffers. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van twee minderjarige meisjes die onder zijn leiding stonden en heeft misbruik gemaakt van hun kwetsbaarheid en jonge leeftijd. Verdachte heeft zich opgeworpen als hun vertrouwenspersoon en hen overladen met liefde en aandacht om zo zijn doel te bereiken. Slachtoffers van zedenmisdrijven ondervinden vaak nog jaren later de nadelige gevolgen hiervan. Uit de toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding die door/namens de slachtoffers zijn ingediend en de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] blijkt dat de gebeurtenissen het geestelijk welzijn van beide slachtoffers negatief heeft beïnvloed. Verdachte heeft hiervoor gelet op zijn ontkennende houding geen enkele verantwoordelijkheid genomen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Uit het op verdachte betrekking hebbende uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest. De reclassering heeft gelet op de ontkennende houding van verdachte geen relatie kunnen leggen tussen de tenlastelegging en de diverse leefgebieden. Ook kon het risico op recidive niet worden ingeschat. Gelet op de ingrijpende gevolgen die een veroordeling zal hebben adviseert de reclassering desondanks een meldplicht en een verbod om bepaalde werkzaamheden (met minderjarigen) uit te oefenen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de ouderdom van de zaak, de overschrijding van de redelijke termijn van 16 maanden (gerekend vanaf 26 juli 2022, het moment dat verdachte werd opgeroepen voor verhoor) en de ingrijpende gevolgen die de verdenking voor verdachte reeds heeft gehad. De rechtbank is zich ook bewust van de gevolgen die deze veroordeling kan hebben voor de toekomst van verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf evenwel voor een gedeelte (12 maanden) voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om aan dit voorwaardelijk strafdeel, naast de algemene voorwaarden, tevens de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een contactverbod met beide slachtoffers op te leggen zoals door hen is verzocht. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt op geen enkele wijze dat verdachte in de afgelopen relatief lange periode contact met de slachtoffers heeft gezocht of dat daartoe bij hem de wens bestaat.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
De vordering.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering ingediend strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 20.191,99 ter vergoeding van € 191,99 aan materiële en € 20.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij een vergoeding van zowel materiële als immateriële schade toekomt. De materiële schade kan volledig worden toegewezen, wat betreft de immateriële schade kan worden toegewezen hetgeen de rechtbank billijk acht, inclusief toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
Primair heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadvrouw verzocht de vordering af te wijzen dan wel te matigen wegens onvoldoende onderbouwing van de immateriële schade.
Beoordeling.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit waarop de vordering betrekking heeft, heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank acht toewijsbaar de materiële schade verband houdende met de kosten voor het GGZ-consult van € 191,99 die de benadeelde zelf heeft moeten voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank is met betrekking tot de immateriële schadevergoeding van oordeel dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In de onderbouwing van de vordering is dit ook naar voren gekomen; de benadeelde partij heeft geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, wijst de rechtbank toe een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien de overige gevorderde immateriële schadevergoeding.
De rechtbank acht dan ook toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 en een materiële schadevergoeding van € 191,99. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde immateriële schade, aangezien de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd en nadere behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2019 voor de immateriële schade en vanaf 23 januari 2023 voor de materiële schade, tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
De vordering.
De benadeelde partij heeft een vordering ingediend strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.700,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering in zijn geheel toewijsbaar, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak.
Beoordeling.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit waarop de vordering betrekking heeft, heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank is met betrekking tot de immateriële schadevergoeding van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In de onderbouwing van de vordering is dit ook naar voren gekomen. De benadeelde partij heeft last van angstklachten, heeft moeite met slapen en concentratieproblemen. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, wijst de rechtbank toe een bedrag van € 1.700,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 247, 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd
T.a.v. feit 2:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregelen.
T.a.v. feit 1, feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
T.a.v. feit 1:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 5.191,99 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 191,99 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 5.191,99 euro, bestaande uit 191,99 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
T.a.v. feit 2:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.700,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 27 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 1.700,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. van Buchem, voorzitter,
mr. E. Boersma en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,
en is uitgesproken op 26 november 2025.