ECLI:NL:RBOBR:2025:7739

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
01-172644-25; 01-043764-25; 01-319939-22; 13-070261-23
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 312 SrArt. 417bis SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens gewapende overval en schuldheling met schadevergoeding

Op 4 juni 2025 pleegde verdachte een gewapende overval op een massagesalon in Eindhoven waarbij onder dreiging van een vuurwapen circa €3.285 werd weggenomen. Verdachte werd herkend op camerabeelden en aangehouden met contant geld. Daarnaast werd hij veroordeeld voor schuldheling van een VanMoof-fiets op 21 januari 2025.

De verdediging voerde vrijspraak aan wegens mogelijke manipulatie van bewijsmateriaal en een alibi, maar de rechtbank verwierp deze verweren op basis van overtuigend bewijs waaronder getuigenverklaringen, telefooncontacten en het aangetroffen geld. De rechtbank achtte verdachte strafbaar voor de overval en schuldheling.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie jaar op, rekening houdend met de ernst van de feiten, recidive en persoonlijke omstandigheden. Tevens werden schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partij en het slachtoffer voor materiële en immateriële schade, inclusief psychologische behandelingskosten. De vorderingen werden deels toegewezen, met wettelijke rente en de mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en deels toegewezen schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie ‘s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.172644.25 en 01.043764.25 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen: 01.319939.22 en 13.070261.23
Datum uitspraak: 26 november 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te ' [geboorteplaats] op [1980] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te: P.I. Grave.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 september 2025 en 12 november 2025.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van respectievelijk 8 augustus 2025 en 19 maart 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. 01-172644-25:
hij, op of omstreeks 4 juni 2025, te Eindhoven,
een geldbedrag van ongeveer 3.285 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon, genaamd [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
-voornoemde [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor te houden en/of te tonen,
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van [slachtoffer] te richten en/of gericht te houden en/of
- te zeggen ‘ik wil alleen de kassa’ en/of ‘daar blijven staan’, althans woorden van een dergelijk dreigende aard en/of strekking;
T.a.v. 01-043764-25:
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Eindhoven,
een fiets (van het merk Vanmoof), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01.319939.22 is aangebracht bij vordering van 12 februari 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te
‘s-Hertogenbosch van 12 januari 2024. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.
De zaak met parketnummer 13.070261.23 is aangebracht bij vordering van 12 februari 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van 7 juli 2023. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
Op woensdag 4 juni 2025 omstreeks 21:30 uur heeft er een gewapende overval plaatsgevonden op massagesalon [bedrijf] , gelegen aan de [adres 2] te Eindhoven. Door één dader was gedreigd met een handvuurwapen (of daarop gelijkend voorwerp), waarna er € 3.285,00 werd weggenomen. De dader was na de overval gevlucht. Aan de ter plaatse verschenen opsporingsambtenaren werden de camerabeelden van de overval getoond en een afbeelding daarvan werd gedeeld onder de politie-eenheden. [verbalisant] herkende de dader direct als [verdachte] (hierna: verdachte).
Later die nacht (inmiddels 5 juni 2024) werd verdachte aangehouden terwijl hij bij een bekende van hem, [persoon 1] , in de auto zat en zij op de A2 richting het zuiden reden. Verdachte wordt ervan beschuldigd de overval op de massagesalon te hebben gepleegd. Daarnaast wordt verdachte beschuldigd van de heling van een fiets op 21 januari 2025.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezenverklaard kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
Door de raadsvrouw van verdachte is ten aanzien van de overval vrijspraak bepleit. Verdachte ontkent de overval op de massagesalon te hebben gepleegd. Door de verdediging is aangevoerd dat volgens verdachte sprake zou kunnen zijn van gemanipuleerd beeldmateriaal, dat verdachte stelt [getuige 1] niet te kennen en dat het bij hem aangetroffen contante geld (meer dan drieduizend euro) grotendeels afkomstig zou zijn van verdachtes broer. Verdachte verklaart dat hij de overval niet gepleegd kan hebben omdat hij ten tijde van de overval in een café op het Stratumseind in Eindhoven aanwezig is geweest. Daar werd een quiz gehouden.
Met betrekking tot de heling van de fiets is aangevoerd dat sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden hetgeen bewijsuitsluiting en daarmee vrijspraak tot gevolg dient te hebben.
Het oordeel van de rechtbank.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
In aanvulling op de bewijsmiddelen overweegt de rechtbank als volgt.
T.a.v. 01-177644-25 feit 1:
Naar het oordeel van de rechtbank worden de verweren van verdachte weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en wordt de alternatieve lezing van verdachte ontkracht door het onderzoek dat door de politie hiernaar is verricht. De rechtbank zal op enkele onderwerpen nader ingaan.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 4 juni 2025 omstreeks 21.30 uur is binnengegaan in de massagesalon aan [adres 2] te Eindhoven en daar onder dreiging van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) de aanwezige medewerkster een geldbedrag van ongeveer 3.285 euro (te weten het kasverschil na de overval) afhandig heeft gemaakt. Verdachte is op de beelden van de overval herkend door [verbalisant] .
Vlak voor de overval heeft verdachte aan [getuige 1] een lift naar [adres 2] gevraagd en gekregen, om geld op te halen bij een onbekend iemand waar verdachte nog geld van zou krijgen. Na de overval is hij sprintend terug bij de auto gekomen en weer ingestapt terwijl hij tegen [getuige 1] riep “Gassen! Gassen! Gassen!”. Getuige [getuige 1] heeft verdachte hierna, omdat hij de situatie niet vertrouwde, uit de auto gezet bij een sushirestaurant aan de rondweg.
De verklaring van verdachte dat hij [getuige 1] niet kent wordt weerlegd doordat het telefoonnummer van getuige [getuige 1] in de beide telefoontoestellen van verdachte was opgeslagen, er op 3 juni 2025 en 4 juni 2025 telefonisch contact is gezocht tussen het nummer van [getuige 1] en het nummer van verdachte en door een gesprek van ruim 50 seconden tussen verdachte en [getuige 1] op de dag van de overval.
Later op de avond van 4 juni 2025 trof verdachte rond 23.00 uur de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] bij het tankstation aan de Karel de Grotelaan en is hij met hen meegegaan naar het huis van getuige [getuige 2] . Weer later (inmiddels was het 5 juni 2025) is verdachte aangehouden terwijl hij op de A2 als bijrijder in de auto van [getuige 2] zat. Bij zijn aanhouding is onder verdachte een geldbedrag van ruim drieduizend euro aan contant geld in beslag genomen.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de overval op de massagesalon heeft gepleegd.
T.a.v. 01-043764-25 feit 1:
Op grond van artikel 2 van Pro de Algemene wet op het binnentreden is voor het door de politie binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist. Een dergelijke schriftelijke machtiging ontbreekt in het dossier. Uit het proces-verbaal van binnentreden op p. 36 van het dossier blijkt evenwel dat op 21 januari 2025 ter aanhouding en doorzoeking is binnengetreden in de kamer van verdachte op grond van een machtiging tot binnentreden, afgegeven door [hulpofficier van justitie] , inspecteur van politie Eenheid Oost-Brabant. Ook blijkt uit dit proces-verbaal dat de machtiging tot binnentreden is getoond aan de bewoner, zijnde verdachte. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de inhoud van genoemd proces-verbaal en gaat er dan ook van uit dat de vereiste machtiging aanwezig was, zodat het binnentreden rechtmatig was. Dit wordt door de verdediging ook niet betwist. Het ontbreken van de schriftelijke machtiging in het dossier levert weliswaar een gebrek in het voortraject op maar kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op voorgaande niet leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging en acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling. De aangetroffen fiets betrof een dure VanMoof fiets zonder slot en op grond hiervan had verdachte minst genomen moeten vermoeden dat dit een gestolen fiets betrof.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. 01-172644-25 feit 1:
op 4 juni 2025, te Eindhoven, een geldbedrag van ongeveer 3.285 euro, dat geheel aan [bedrijf] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen een persoon, genaamd [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door
- voornoemde [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor te houden en te tonen,
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van [slachtoffer] te richten en gericht te houden en
- te zeggen ‘ik wil alleen de kassa’ en ‘daar blijven staan’.
T.a.v. 01-043764-25 feit 1:
hij op 21 januari 2025 te Eindhoven,
een fiets (van het merk Vanmoof), voorhanden heeft gehad
terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval en de schuldheling van een fiets.
Een overval, zeker wanneer daarbij wordt gedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Dat dit in onderhavige zaak ook het geval is blijkt ook uit de vorderingen benadeelde partij van de betrokken medewerkster en de eigenaar van de massagesalon. De medewerkster heeft zich onder behandeling van een psycholoog moeten laten stellen en enkele maanden niet kunnen werken. Voor de eigenaar van de salon heeft het delict daarnaast vermogensschade tot gevolg gehad. Overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met de gevoelens van de betrokkenen en de maatschappij geen rekening gehouden en enkel zijn behoefte om snel en gemakkelijk aan veel geld te komen vooropgesteld. Ook uit de schuldheling blijkt dat verdachte zich ten koste van anderen heeft proberen te verrijken.
Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij al vele malen eerder voor diverse vermogensdelicten werd veroordeeld. Het strafblad van verdachte telt 28 pagina’s en gaat terug tot 1995. Ten tijde van onderhavige feiten liep verdachte nog in twee proeftijden van eerdere veroordelingen. Uit dit alles blijkt dat verdachte kennelijk niet bereid is zijn crimineel gedrag te veranderen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Als uitgangspunt voor een overval op een bedrijf met licht geweld dan wel bedreiging geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is in onderhavige zaak sprake van strafverzwarende omstandigheden die maken dat van dit uitgangspunt ten nadele van verdachte dient te worden afgeweken. De rechtbank wijst op de forse recidive, de aard van de gepleegde feiten, de procesopstelling van verdachte (en op het feit dat verdachte de feiten heeft gepleegd terwijl hij in twee proeftijden liep.
De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De vordering.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
Door de raadsvrouw van verdachte is primair niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit. De raadsvrouw heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het gevorderde bedrag te matigen.
Beoordeling.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit waarop de vordering betrekking heeft, heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat zij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is van de in dit wetsartikel bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit het schadeonderbouwingsformulier en de bijlagen daarbij blijkt dat de benadeelde partij zich vrijwel direct na het incident heeft gewend tot een psycholoog en dat zij EMDR-therapie heeft gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden afgeleid dat sprake was van geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.
Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank de gevorderde immateriële schade billijk. De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van [de benadeelde partij] .

De vordering.
[de benadeelde partij] , de onderneming achter [bedrijf] , heeft een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 13.574,92 ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering tot vergoeding van materiële schade valt uiteen in de volgende posten:
  • weggenomen kasgeld € 3.280,00
  • loonschade na ziekmelding € 9.859,32
  • kosten psycholoog
€ 13.574,92
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gevorderde loonkosten en de kosten voor de psycholoog niet voor toewijzing in aanmerking komen omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Indien de rechtbank de kosten voor de psycholoog wel (deels) toewijsbaar acht, dient hierop de BTW in mindering te worden gebracht nu deze voor de benadeelde partij aftrekbaar zijn.
Beoordeling.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit waarop de vordering betrekking heeft, heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat zij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank overweegt hierna per post als volgt.
Weggenomen kasgeld
Uit de vordering blijkt dat er bij de overval een bedrag van € 3.280,00 is weggenomen. Bij de verdachte is bij diens aanhouding een bedrag van € 3.031,65 aangetroffen en in beslag genomen. Zoals hierna onder “Beslag” verwoord zal dit inbeslaggenomen bedrag worden teruggegeven aan de redelijkerwijs rechthebbende, zijnde de benadeelde partij. Voor toewijzing vatbaar resteert daarom € 248,35.
Loonschade na ziekmelding
Gevorderd wordt het brutoloon over de maanden juni, juli, augustus en september 2025 van medewerkster [slachtoffer] omdat zij ten gevolge van de overval is ziekgemeld. De benadeelde partij heeft het loon doorbetaald. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter zitting verklaard dat de B.V. hiervoor niet is verzekerd en dat daarom sprake is van loonschade.
Naar het oordeel van de rechtbank kan deze schade voor wat betreft de maanden juni, juli en augustus 2025 worden aangemerkt als schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Ten aanzien van de maand september 2025 is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk of deze schade (volledig) is geleden, aangezien uit de stukken blijkt dat vanaf 20 augustus 2025 sprake was van een gedeeltelijke/geleidelijke werkhervatting door [slachtoffer] , zij het in eerste instantie boventallig. De rechtbank acht daarom toewijsbaar 3 x € 2.464,83= € 7.394,49.
Kosten psycholoog
Ten gevolge van de overval heeft voornoemde medewerkster zich onder psychologische behandeling laten stellen. De kosten van deze behandeling ad € 435,60 zijn door [de benadeelde partij] betaald.
Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze kosten te worden beschouwd als schadebeperkend en komen zij op grond daarvan voor vergoeding in aanmerking. Wel dient naar het oordeel van de rechtbank de BTW op het gevorderde bedrag in mindering te worden gebracht aangezien de benadeelde partij deze kan aftrekken. De rechtbank acht dan ook € 360,00 toewijsbaar.
De rechtbank acht gelet op vorenstaande toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding van € 8.002,84 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening vordering, te weten 20 augustus 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien het meer gevorderde. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen
of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht. Nader onderzoek hiernaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen geldbedrag aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken rechtspersoon, [de benadeelde partij] , nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01.319939.22.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 13.070261.23.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 312 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. 01-172644-25 feit 1:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
T.a.v. 01-043764-25 feit 1:
schuldheling
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregelen.
T.a.v. 01-172644-25 feit 1, 01-043764-25 feit 1:
Een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht
T.a.v. 01-172644-25 feit 1:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [de benadeelde partij] , van een bedrag van 8.002,84 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
T.a.v. 01-172644-25 feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [de benadeelde partij] , van een bedrag van 8.002,84 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
T.a.v. 01-172644-25 feit 1:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 2.500,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 04 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
T.a.v. 01-172644-25 feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 2.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 04 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 12 januari 2024, gewezen onder parketnummer 01-319939-22, te weten:
een gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te amsterdam van 07 juli 2023, gewezen onder parketnummer 13-070261-23, te weten:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden
Teruggave inbeslaggenomen goed, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:
01-172644-25: 3.031,65 EUR Geld Euro,
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken: [de benadeelde partij]
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. Boersma, voorzitter,
mr. F. van Buchem en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,
en is uitgesproken op 26 november 2025.