ECLI:NL:RBOBR:2025:7792
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken concrete aanwijzingen vooringenomenheid rechters
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters die zijn zaak behandelden bij Rechtbank Oost-Brabant. Het verzoek was gebaseerd op vermoedens van partijdigheid, onder meer ingegeven door de procedure rondom een spoedmachtiging en de rol van de Raad voor de Kinderbescherming.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het wrakingsprotocol van de rechtbank. Hierbij geldt het vermoeden van onpartijdigheid van rechters, dat alleen door uitzonderlijke omstandigheden kan worden doorbroken.
Het wrakingsverzoek bevatte geen concrete feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleverden. De kamer concludeerde dat de vrees voor partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd was en dat ook de schijn van partijdigheid niet aannemelijk was.
Daarom werd het wrakingsverzoek zonder mondelinge behandeling afgewezen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van concrete feiten die wijzen op vooringenomenheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.