ECLI:NL:RBOBR:2025:7795

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
WR 25/031
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking van de rechter in een zaak betreffende ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige

In deze zaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 26 november 2025 een beslissing genomen over een wrakingsverzoek van verzoeker, die betrokken is in een procedure met betrekking tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon. Verzoeker had eerder een verzoek ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming, dat leidde tot een beschikking van de rechter op 15 juli 2025. Verzoeker was het niet eens met de gang van zaken en diende op 25 oktober 2025 een wrakingsverzoek in tegen mr. M. de Vries, de rechter die de beschikking had gegeven. De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk was, omdat het was ingediend na de einduitspraak in de hoofdzaak. De wet staat geen wraking toe na een einduitspraak. Bovendien oordeelde de wrakingskamer dat verzoeker het wrakingsmiddel misbruikte, aangezien hij al meerdere wrakingsverzoeken had ingediend die niet gegrond waren en die leidden tot onredelijke vertraging van de procedures. De wrakingskamer besloot dat een volgend wrakingsverzoek met betrekking tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van verzoekers zoon niet meer in behandeling zou worden genomen. De beslissing werd openbaar uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25/031

Beslissing van 26 november 2025

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van

mr. M. de Vries,

hierna te noemen: de rechter.

De procedure

1.1
In de zaak met procedurenummer 417412 JE RK 25-950 is verzoeker partij. In deze zaak gaat het om een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de minderjarige zoon van verzoeker onder toezicht te stellen en om een machtiging tot uithuisplaatsing.
1.2
De rechter heeft met de beschikking van 15 juli 2025 beslist op het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoeker heeft op 25 oktober 2025 een wrakingsverzoek ingediend.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop

2.1
Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift aan het niet eens te zijn met de gang van zaken rond de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn minderjarig kind. Volgens verzoeker is zijn kind benadeeld en dat neemt verzoeker de rechter persoonlijk kwalijk.
2.2
Op 31 oktober 2025 heeft de rechter gereageerd op het wrakingsverzoek. Uit deze reactie blijkt dat de rechter niet berust in het wrakingsverzoek. De rechter geeft aan dat hij op 15 juli 2025 een spoedbeslissing heeft genomen en dat hij daarna niet meer betrokken is geweest bij de zaak.

De beoordeling van het wrakingsverzoek

Het wrakingsverzoek
3.1
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek moet voorop staan dat een rechter door zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.2
De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds niet-ontvankelijk verklaren indien het wrakingsverzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
3.3
De rechter heeft de beschikking gegeven op 15 juli 2025, terwijl verzoeker zijn wrakingsverzoek op 21 oktober 2025 heeft ingediend. Het verzoek is dus gedaan nadat de rechter in de hoofdzaak einduitspraak heeft gedaan. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan in de zaak van verzoeker. Om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
3.4
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Misbruik van het wrakingsmiddel
4. Verzoeker heeft al meerdere wrakingsverzoeken gedaan in zaken die betrekking hebben op de ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon. Geen van die verzoeken was gegrond. Deze verzoeken hebben wel geleid tot onredelijke vertraging van de afhandeling van die zaken bij de rechtbank. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven of dat verzoeker geen ander doel had dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend wrakingsverzoek met betrekking tot ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon,
dat wordt ingediend na de datum van deze beslissing,niet meer in behandeling wordt genomen.

De beslissing

De wrakingskamer:
  • verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk
  • bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in een zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing van verzoekers minderjarige zoon en dat wordt ingediend na de datum van deze beslissing niet meer in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. F.E. Roll en
mr. C.T.C. Wijsman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).